Verslag van de vergadering van 15 juni 2026 (2025/2026 nr. 33)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 19.19 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Fiers i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Zoals net gezegd, voer ik mede het woord namens het CDA. Zo kan dat dus ook hier in deze Kamer: de oppositie en de coalitie die zich in één bijdrage grote zorgen maken over de financiële situatie van gemeentes en samen optrekken op zoek naar oplossingen voor reële problemen van gemeentes en hun inwoners.
De afgelopen twee maanden was ik formateur in Eindhoven. Er zijn ook een aantal senatoren die op andere plekken formateur zijn. Ik heb dus ook aan den lijve meegemaakt hoe lastig het is om in dit tijdsgewricht een sluitende meerjarenbegroting voor te leggen. Mijn collega Van Toorenburg, met wie ik deze inbreng heb voorbereid, is burgemeester van een kleine gemeente met een immense landelijke opgave, onder andere ten aanzien van het knooppunt tussen de A27 en A59 en dijkverzwaringen. Zij ervaart ook dagelijks aan den lijve hoe knelpunten zich opstapelen. Het is niet meer te doen. Daar kom ik straks nog uitgebreid op terug.
Dit betoog is opgebouwd uit drie onderdelen. Allereerst een korte terugblik naar vorig jaar. De minister gaf het in het vorige debat ook al aan: daar gaan we even op terugblikken. Als tweede de actualiteit van vandaag. Als derde de grote vraag: hoe nu verder?
Allereerst de terugblik. Een jaar geleden, bij de bespreking van het gemeentefonds voor 2025, hebben wij stilgestaan bij de waarde van een krachtig decentraal bestuur en de formele positie van gemeenten in ons staatsbestel. Daarover heb ik een aantal vragen aan deze minister.
Laat ik beginnen met de waarde van een krachtig decentraal bestuur. De Raad voor het Openbaar Bestuur — daar heb je ze weer; we zullen het er vandaag vaker over hebben — constateert in zijn stelseladvies "Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen" uit 2021 dat een krachtig decentraal bestuur een wezenlijke waarde binnen ons democratisch geordend bestuur vertegenwoordigt en noemt daarvoor vijf belangrijke redenen. Allereerst brengt het politiek dicht bij burgers. Het is een laagdrempelig overheidsloket. Het kan juist via die lokale binding en kennis wendbaar inspelen op ontwikkelingen in de samenleving. Als vierde noemen zij: decentrale overheden zijn ook nodig voor het bereiken van landelijke doelen. Tot slot, het decentraal bestuur is een onmisbare schakel in de checks and balances, de macht en tegenmacht. Graag hoor ik van de minister zijn reflectie op de positie van gemeenten in ons staatsbestel. Deelt hij deze analyse van de ROB?
De afgelopen maand meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek op basis van de enquête Sociale samenhang en welzijn dat het vertrouwen in de overheid historisch laag is. Dat is een trend die helaas al langer waarneembaar is en die, neem ik aan, iedereen in deze zaal zeer zorgelijk vindt. Uit verschillende onderzoeken naar het vertrouwen in de overheid als geheel blijkt dat gemeentes daarbinnen het hoogste scoren en het meest worden vertrouwd. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard, dus dit vertrouwen is iets om te koesteren en juist te versterken. Graag hoor ik van de minister hoe hij naar dit vertrouwensvraagstuk kijkt en of, en zo ja, hoe dit vertrouwen volgens hem beïnvloed wordt of kan gaan worden door de huidige financiële situatie van gemeentes.
Voorzitter. Ik kom op de formele positie van gemeentes. In onze Grondwet is verankerd dat Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat is. Samengevat, de gemeentes zijn volgens onze Grondwet veel meer dan een uitvoeringsloket van de Rijksoverheid. In artikel 124 van de Grondwet is de autonomie van gemeenten geborgd, ook de financiële autonomie. Juist de autonomie van gemeenten staat stevig onder druk vanwege het steeds grotere aandeel medebewindstaken dat langzaam maar zeker de financiële ruimte voor de eigen autonomie opslokt. Jeugdzorg staat daarbij voorop. Daar hebben we vorig jaar ook uitgebreid over gesproken. Maar ook andere taken zijn grote uitdagingen voor gemeentelijke begrotingen, zoals de Wmo en, misschien iets minder vaak gehoord, de Omgevingswet. Ook die brengt nog grote vraagstukken met zich mee in de uitvoering. De gemeentelijke autonomie en de borging zijn primair de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken, als stelselverantwoordelijke voor decentraal bestuur en hoeder van de Grondwet. Daarom graag een reflectie van deze minister: tot welk oordeel komt hij over de feitelijke autonomie van gemeenten en op basis waarvan?
De Kamer heeft vanuit haar controlerende taak de verantwoordelijkheid om de begroting van het gemeentefonds, waar we het vandaag over hebben, te toetsen aan artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en artikel 108, lid 3 van de Gemeentewet. Om dit te kunnen doen, is allereerst inzicht nodig in hoeverre die medebewindstaken de financiële ruimte voor die autonome taakuitoefening van gemeenten opsouperen en nagaan of er wel voldoende financiële autonomie resteert voor die gemeentes, conform artikel 124 van de Grondwet. Dat inzicht ontbreekt volledig. Daarom probeert deze Kamer al enige tijd om de informatiepositie hiervoor te verbeteren.
Dat heeft in september 2024 geleid tot een verzoek van deze Kamer, op instigatie van OPNL, om advies te vragen aan de Raad voor het Openbaar Bestuur en om ons hierover te adviseren. Dat leidde op 1 juni 2025 tot het advies Meters maken met medebewind. In dit advies constateert de ROB wat wij eigenlijk met elkaar al wisten. Ik citeer: "Het parlement kan zijn taken en verantwoordelijkheden als begrotingswetgever en controleur van de regering bij het gemeentefonds momenteel niet waarmaken". Ik hoef denk ik niet te benadrukken dat dit een zeer ernstige situatie is. Bij de begrotingsbehandeling van het gemeentefonds vorig jaar heeft dit geleid tot een zeer breed gesteunde motie die de regering verzoekt om, ik citeer, "bij de aanbieding van de begroting gemeentefonds 2026 aan het parlement", vandaag dus, "expliciet te onderbouwen hoe de diverse te onderscheiden medebewindstaken adequaat gefinancierd zijn en inzichtelijk te maken hoe er voldoende budget resteert voor de autonome taak van gemeenten conform artikel 124 Grondwet en artikel 9 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie".
Dat brengt mij op het tweede punt van dit betoog, namelijk de actualiteit van vandaag. We moeten helaas constateren dat de gevraagde onderbouwing niet is gekomen. Sterker nog, de chaos is sinds de vorige keer dat wij over het gemeentefonds spraken, eerder groter dan kleiner geworden. Graag een uitleg van de minister van waarom de motie niet is uitgevoerd.
De reactie van de regering van begin dit jaar op beide ROB-adviezen stemt allesbehalve hoopvol. Er lijkt erkenning van het probleem. Dat is op zich mooi, maar de voorgestelde aanpak van de ROB, namelijk een duidelijk overzicht van de medebewindstaken, inclusief de budgetten en de bijbehorende wettelijke basis, is door de regering afgewezen. Kan de minister nogmaals duidelijk motiveren waarom hij ervoor kiest om dit ROB-advies niet op te volgen, en waarom hij kiest voor een "nadere verkenning"? Wat is eigenlijk precies het product van die verkenning? Wat hebben we als die verkenning is afgerond, en hoelang gaat die duren?
De aanhoudende onduidelijkheid heeft ondertussen grote gevolgen voor gemeentes. Graag horen we van de minister een update van de huidige stand van zaken van die aangekondigde verkenning, die voor de zomer zou zijn afgerond, zo begrepen wij uit de brief. Terwijl alle gemeenten druk bezig zijn met het opstellen van een nieuwe meerjarenbegroting, moeten wij helaas constateren dat de onzekerheden voor de gemeenten alleen maar zijn toegenomen.
Naast structureel onvoldoende middelen voor alle medebewindstaken heeft ook de aanhoudende onduidelijkheid over de verdeling van het gemeentefonds grote lokale gevolgen, zowel voor de gemeenten die er voordeel van zouden hebben als voor de gemeenten die er nadeel van hebben. De recente, door deze minister ingedrukte, pauzeknop draagt ook nu bij aan een jojo-effect met grote lokale gevolgen. Er is nog twee jaar extra tijd nodig boven op de vier jaar die — als ik goed geïnformeerd ben — al is besteed aan onderzoeken om het model te verbeteren. Graag een reactie van de minister.
Begroten bij gemeenten is vandaag de dag schieten op bewegende doelen. Dat kent meerdere oorzaken. Laat ik er drie noemen. Enerzijds is er de ontstane complexiteit van het gemeentefonds, die zorgt voor fouten die vervolgens weer hersteld moeten worden, zoals recent bij de indexering in de meicirculaire, die begin juni weer hersteld moest worden. Dat is geen klein bier, maar dat zijn wijzigingen die serieus effect hebben op de begrotingen van gemeenten. Ook is er het niet nakomen van afspraken, zoals bijvoorbeeld de 10% korting op de SPUK's, die financieel wel wordt ingeboekt, maar waarvan de beloofde administratieve winst niet wordt waargemaakt. Ik kreeg hierover nog een berichtje van een wethouder van Son en Breugel, die zei: ik zie eerder meer SPUK's dan minder SPUK's, maar de bezuiniging wordt wel ingeboekt.
Ik kreeg ook berichten over kortingen die veel te laat worden gecommuniceerd, soms minder dan een paar maanden voordat ze ingaan. Het is ook moeilijk om daar beleid op te maken. Er is eigenlijk behoefte aan rust, reinheid en regelmaat in het begrotingsproces. Graag een reactie van de minister met hoe hij dit denkt te bereiken. Zijn hier nieuwe, al dan niet tijdelijke, aangepaste financiële spelregels voor te bedenken, aangezien bijvoorbeeld de herverdelingsdiscussie nog wel een tijdje zal lopen? Is het mogelijk om de huidige spelregels aan te passen, bijvoorbeeld door meer ruimte te geven om met stelposten te werken?
Voorzitter. Dit alles gebeurt in een tijd waarin de verwachtingen over de prestaties van de gemeentelijke overheid torenhoog zijn vanuit de samenleving, maar ook vanuit de regering. Voor een flink aantal bestaande en nieuwe opgaven kijkt het Rijk immers ook naar gemeenten. Ik noem er een aantal om duidelijk te maken dat de problemen in de komende periode waarschijnlijk niet kleiner zullen worden, niet vanzelf.
Allereerst is er als bestaande opgave de enorme woningbouwopgave, die in het gedrang komt door problemen rondom bijvoorbeeld netcongestie. Dit stelt gemeenten voor enorme financiële afwegingen en risicoafwegingen in een tijd waarin de begroting, zoals ik net al zei, meerjarig instabiel en onzeker is. Dat leidt begrijpelijkerwijs tot risicomijdend gedrag, terwijl juist nu volop maatschappelijke investeringen nodig zijn. Welke oplossingen ziet de minister voor dit vraagstuk? Zijn er financiële afspraken te maken om die noodzakelijke investeringen wel door te laten gaan?
Een voorbeeld van een relatief nieuwe opgave is de enorme opgave van het versterken van de maatschappelijke weerbaarheid. Gelukkig ontwikkelde de VNG de handreiking Weerbaarheid en veerkracht op lokaal niveau, met als doel gemeenten te helpen om beter voorbereid te zijn op langdurige verstoringen en crises. Dat is heel fijn voorwerk. Er wordt heel inzichtelijk wat er allemaal op gemeentes afkomt. Er staan 41 maatregelen in en bij bijna alles staat: de gemeente is als eerste verantwoordelijk. Dat loopt uiteen van maatregelen ten aanzien van de drinkwatervoorziening en het inrichten van noodsteunpunten tot het behoud van de democratische besluitvorming. Welke middelen daarvoor beschikbaar zijn, is nog lang niet duidelijk. Wat er beschikbaar is, schiet in ieder geval schromelijk tekort.
Dan de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen. Dat is nog zo'n voorbeeld. Daarbij wordt de vrijblijvende bevorderingsplicht omgezet in een wettelijke zorgplicht. De praktische uitvoering daarvan brengt voor gemeentes ook financiële vraagstukken met zich mee. Ten eerste dekt de vaste uitkering niet alles. De eerdere SPUK biedt ook geen ruimte voor structurele financiering. Dat geeft extra druk op de toch al knellende lokale begrotingen.
Tot slot GALA. Dan bedoel ik niet de naam van mijn collega Gala, maar het Gezond en Actief Leven Akkoord. De doelstellingen ervan worden breed gesteund, maar het Rijk heeft fors bezuinigd op de middelen, waardoor het behalen van de doelen op de lange termijn in het gedrang komt. Er is geen zicht op structurele financiering. Daardoor durven gemeentes geen nieuwe afspraken te maken met lokale partners en dreigt alles wat is opgebouwd, verloren te gaan. De zogenaamde Uitvoerbaarheidstoetsen Decentrale Overheden, de UDO's, zouden moeten zorgen dat overheden bij nieuwe taken voldoende financiële middelen krijgen. We hebben het er net al over gehad, dus dat laat ik even.
Voorzitter. Ik rond af met mijn derde punt, de grote en belangrijke vraag hoe we uit deze kluwen van versterkende knelpunten komen. Met de vorig jaar aangenomen motie van deze Kamer, die overigens nog steeds brede steun heeft, ook van de fracties die vandaag niet meedoen aan het debat, heeft deze Kamer een poging gedaan om tot meer inzicht te komen, zodat we onze controlerende taak kunnen uitvoeren en daarmee bijdragen aan een begin van een oplossing. Hoe voorkomen we dat we dit hier volgend jaar opnieuw tegen elkaar zeggen? Welke route naar een oplossing ziet de minister voor zich? Wat gaat de minister doen, samen met de koepels en de vakministers, om dit anders te gaan doen? Want als je doorgaat met wat je deed, dan krijg je wat je kreeg. Het zal dus echt anders moeten. De fracties van CDA, GroenLinks-PvdA en volgens mij ook de Partij voor de Dieren — dat weet ik niet meer helemaal zeker — kijken uit naar het antwoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Lievense van de fractie van BBB.