Behandeling Begroting gemeentefonds 2026



Verslag van de vergadering van 15 juni 2026 (2025/2026 nr. 33)

Aanvang: 19.19 uur

Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Voorzitter: Vos

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2026 (36800-B).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 36800-B, Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2026.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan mevrouw Fiers van, hier nog, GroenLinks-PvdA. Zij spreekt mede namens de fractie van het CDA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Fiers i (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Zoals net gezegd, voer ik mede het woord namens het CDA. Zo kan dat dus ook hier in deze Kamer: de oppositie en de coalitie die zich in één bijdrage grote zorgen maken over de financiële situatie van gemeentes en samen optrekken op zoek naar oplossingen voor reële problemen van gemeentes en hun inwoners.

De afgelopen twee maanden was ik formateur in Eindhoven. Er zijn ook een aantal senatoren die op andere plekken formateur zijn. Ik heb dus ook aan den lijve meegemaakt hoe lastig het is om in dit tijdsgewricht een sluitende meerjarenbegroting voor te leggen. Mijn collega Van Toorenburg, met wie ik deze inbreng heb voorbereid, is burgemeester van een kleine gemeente met een immense landelijke opgave, onder andere ten aanzien van het knooppunt tussen de A27 en A59 en dijkverzwaringen. Zij ervaart ook dagelijks aan den lijve hoe knelpunten zich opstapelen. Het is niet meer te doen. Daar kom ik straks nog uitgebreid op terug.

Dit betoog is opgebouwd uit drie onderdelen. Allereerst een korte terugblik naar vorig jaar. De minister gaf het in het vorige debat ook al aan: daar gaan we even op terugblikken. Als tweede de actualiteit van vandaag. Als derde de grote vraag: hoe nu verder?

Allereerst de terugblik. Een jaar geleden, bij de bespreking van het gemeentefonds voor 2025, hebben wij stilgestaan bij de waarde van een krachtig decentraal bestuur en de formele positie van gemeenten in ons staatsbestel. Daarover heb ik een aantal vragen aan deze minister.

Laat ik beginnen met de waarde van een krachtig decentraal bestuur. De Raad voor het Openbaar Bestuur — daar heb je ze weer; we zullen het er vandaag vaker over hebben — constateert in zijn stelseladvies "Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen" uit 2021 dat een krachtig decentraal bestuur een wezenlijke waarde binnen ons democratisch geordend bestuur vertegenwoordigt en noemt daarvoor vijf belangrijke redenen. Allereerst brengt het politiek dicht bij burgers. Het is een laagdrempelig overheidsloket. Het kan juist via die lokale binding en kennis wendbaar inspelen op ontwikkelingen in de samenleving. Als vierde noemen zij: decentrale overheden zijn ook nodig voor het bereiken van landelijke doelen. Tot slot, het decentraal bestuur is een onmisbare schakel in de checks and balances, de macht en tegenmacht. Graag hoor ik van de minister zijn reflectie op de positie van gemeenten in ons staatsbestel. Deelt hij deze analyse van de ROB?

De afgelopen maand meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek op basis van de enquête Sociale samenhang en welzijn dat het vertrouwen in de overheid historisch laag is. Dat is een trend die helaas al langer waarneembaar is en die, neem ik aan, iedereen in deze zaal zeer zorgelijk vindt. Uit verschillende onderzoeken naar het vertrouwen in de overheid als geheel blijkt dat gemeentes daarbinnen het hoogste scoren en het meest worden vertrouwd. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard, dus dit vertrouwen is iets om te koesteren en juist te versterken. Graag hoor ik van de minister hoe hij naar dit vertrouwensvraagstuk kijkt en of, en zo ja, hoe dit vertrouwen volgens hem beïnvloed wordt of kan gaan worden door de huidige financiële situatie van gemeentes.

Voorzitter. Ik kom op de formele positie van gemeentes. In onze Grondwet is verankerd dat Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat is. Samengevat, de gemeentes zijn volgens onze Grondwet veel meer dan een uitvoeringsloket van de Rijksoverheid. In artikel 124 van de Grondwet is de autonomie van gemeenten geborgd, ook de financiële autonomie. Juist de autonomie van gemeenten staat stevig onder druk vanwege het steeds grotere aandeel medebewindstaken dat langzaam maar zeker de financiële ruimte voor de eigen autonomie opslokt. Jeugdzorg staat daarbij voorop. Daar hebben we vorig jaar ook uitgebreid over gesproken. Maar ook andere taken zijn grote uitdagingen voor gemeentelijke begrotingen, zoals de Wmo en, misschien iets minder vaak gehoord, de Omgevingswet. Ook die brengt nog grote vraagstukken met zich mee in de uitvoering. De gemeentelijke autonomie en de borging zijn primair de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken, als stelselverantwoordelijke voor decentraal bestuur en hoeder van de Grondwet. Daarom graag een reflectie van deze minister: tot welk oordeel komt hij over de feitelijke autonomie van gemeenten en op basis waarvan?

De Kamer heeft vanuit haar controlerende taak de verantwoordelijkheid om de begroting van het gemeentefonds, waar we het vandaag over hebben, te toetsen aan artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en artikel 108, lid 3 van de Gemeentewet. Om dit te kunnen doen, is allereerst inzicht nodig in hoeverre die medebewindstaken de financiële ruimte voor die autonome taakuitoefening van gemeenten opsouperen en nagaan of er wel voldoende financiële autonomie resteert voor die gemeentes, conform artikel 124 van de Grondwet. Dat inzicht ontbreekt volledig. Daarom probeert deze Kamer al enige tijd om de informatiepositie hiervoor te verbeteren.

Dat heeft in september 2024 geleid tot een verzoek van deze Kamer, op instigatie van OPNL, om advies te vragen aan de Raad voor het Openbaar Bestuur en om ons hierover te adviseren. Dat leidde op 1 juni 2025 tot het advies Meters maken met medebewind. In dit advies constateert de ROB wat wij eigenlijk met elkaar al wisten. Ik citeer: "Het parlement kan zijn taken en verantwoordelijkheden als begrotingswetgever en controleur van de regering bij het gemeentefonds momenteel niet waarmaken". Ik hoef denk ik niet te benadrukken dat dit een zeer ernstige situatie is. Bij de begrotingsbehandeling van het gemeentefonds vorig jaar heeft dit geleid tot een zeer breed gesteunde motie die de regering verzoekt om, ik citeer, "bij de aanbieding van de begroting gemeentefonds 2026 aan het parlement", vandaag dus, "expliciet te onderbouwen hoe de diverse te onderscheiden medebewindstaken adequaat gefinancierd zijn en inzichtelijk te maken hoe er voldoende budget resteert voor de autonome taak van gemeenten conform artikel 124 Grondwet en artikel 9 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie".

Dat brengt mij op het tweede punt van dit betoog, namelijk de actualiteit van vandaag. We moeten helaas constateren dat de gevraagde onderbouwing niet is gekomen. Sterker nog, de chaos is sinds de vorige keer dat wij over het gemeentefonds spraken, eerder groter dan kleiner geworden. Graag een uitleg van de minister van waarom de motie niet is uitgevoerd.

De reactie van de regering van begin dit jaar op beide ROB-adviezen stemt allesbehalve hoopvol. Er lijkt erkenning van het probleem. Dat is op zich mooi, maar de voorgestelde aanpak van de ROB, namelijk een duidelijk overzicht van de medebewindstaken, inclusief de budgetten en de bijbehorende wettelijke basis, is door de regering afgewezen. Kan de minister nogmaals duidelijk motiveren waarom hij ervoor kiest om dit ROB-advies niet op te volgen, en waarom hij kiest voor een "nadere verkenning"? Wat is eigenlijk precies het product van die verkenning? Wat hebben we als die verkenning is afgerond, en hoelang gaat die duren?

De aanhoudende onduidelijkheid heeft ondertussen grote gevolgen voor gemeentes. Graag horen we van de minister een update van de huidige stand van zaken van die aangekondigde verkenning, die voor de zomer zou zijn afgerond, zo begrepen wij uit de brief. Terwijl alle gemeenten druk bezig zijn met het opstellen van een nieuwe meerjarenbegroting, moeten wij helaas constateren dat de onzekerheden voor de gemeenten alleen maar zijn toegenomen.

Naast structureel onvoldoende middelen voor alle medebewindstaken heeft ook de aanhoudende onduidelijkheid over de verdeling van het gemeentefonds grote lokale gevolgen, zowel voor de gemeenten die er voordeel van zouden hebben als voor de gemeenten die er nadeel van hebben. De recente, door deze minister ingedrukte, pauzeknop draagt ook nu bij aan een jojo-effect met grote lokale gevolgen. Er is nog twee jaar extra tijd nodig boven op de vier jaar die — als ik goed geïnformeerd ben — al is besteed aan onderzoeken om het model te verbeteren. Graag een reactie van de minister.

Begroten bij gemeenten is vandaag de dag schieten op bewegende doelen. Dat kent meerdere oorzaken. Laat ik er drie noemen. Enerzijds is er de ontstane complexiteit van het gemeentefonds, die zorgt voor fouten die vervolgens weer hersteld moeten worden, zoals recent bij de indexering in de meicirculaire, die begin juni weer hersteld moest worden. Dat is geen klein bier, maar dat zijn wijzigingen die serieus effect hebben op de begrotingen van gemeenten. Ook is er het niet nakomen van afspraken, zoals bijvoorbeeld de 10% korting op de SPUK's, die financieel wel wordt ingeboekt, maar waarvan de beloofde administratieve winst niet wordt waargemaakt. Ik kreeg hierover nog een berichtje van een wethouder van Son en Breugel, die zei: ik zie eerder meer SPUK's dan minder SPUK's, maar de bezuiniging wordt wel ingeboekt.

Ik kreeg ook berichten over kortingen die veel te laat worden gecommuniceerd, soms minder dan een paar maanden voordat ze ingaan. Het is ook moeilijk om daar beleid op te maken. Er is eigenlijk behoefte aan rust, reinheid en regelmaat in het begrotingsproces. Graag een reactie van de minister met hoe hij dit denkt te bereiken. Zijn hier nieuwe, al dan niet tijdelijke, aangepaste financiële spelregels voor te bedenken, aangezien bijvoorbeeld de herverdelingsdiscussie nog wel een tijdje zal lopen? Is het mogelijk om de huidige spelregels aan te passen, bijvoorbeeld door meer ruimte te geven om met stelposten te werken?

Voorzitter. Dit alles gebeurt in een tijd waarin de verwachtingen over de prestaties van de gemeentelijke overheid torenhoog zijn vanuit de samenleving, maar ook vanuit de regering. Voor een flink aantal bestaande en nieuwe opgaven kijkt het Rijk immers ook naar gemeenten. Ik noem er een aantal om duidelijk te maken dat de problemen in de komende periode waarschijnlijk niet kleiner zullen worden, niet vanzelf.

Allereerst is er als bestaande opgave de enorme woningbouwopgave, die in het gedrang komt door problemen rondom bijvoorbeeld netcongestie. Dit stelt gemeenten voor enorme financiële afwegingen en risicoafwegingen in een tijd waarin de begroting, zoals ik net al zei, meerjarig instabiel en onzeker is. Dat leidt begrijpelijkerwijs tot risicomijdend gedrag, terwijl juist nu volop maatschappelijke investeringen nodig zijn. Welke oplossingen ziet de minister voor dit vraagstuk? Zijn er financiële afspraken te maken om die noodzakelijke investeringen wel door te laten gaan?

Een voorbeeld van een relatief nieuwe opgave is de enorme opgave van het versterken van de maatschappelijke weerbaarheid. Gelukkig ontwikkelde de VNG de handreiking Weerbaarheid en veerkracht op lokaal niveau, met als doel gemeenten te helpen om beter voorbereid te zijn op langdurige verstoringen en crises. Dat is heel fijn voorwerk. Er wordt heel inzichtelijk wat er allemaal op gemeentes afkomt. Er staan 41 maatregelen in en bij bijna alles staat: de gemeente is als eerste verantwoordelijk. Dat loopt uiteen van maatregelen ten aanzien van de drinkwatervoorziening en het inrichten van noodsteunpunten tot het behoud van de democratische besluitvorming. Welke middelen daarvoor beschikbaar zijn, is nog lang niet duidelijk. Wat er beschikbaar is, schiet in ieder geval schromelijk tekort.

Dan de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen. Dat is nog zo'n voorbeeld. Daarbij wordt de vrijblijvende bevorderingsplicht omgezet in een wettelijke zorgplicht. De praktische uitvoering daarvan brengt voor gemeentes ook financiële vraagstukken met zich mee. Ten eerste dekt de vaste uitkering niet alles. De eerdere SPUK biedt ook geen ruimte voor structurele financiering. Dat geeft extra druk op de toch al knellende lokale begrotingen.

Tot slot GALA. Dan bedoel ik niet de naam van mijn collega Gala, maar het Gezond en Actief Leven Akkoord. De doelstellingen ervan worden breed gesteund, maar het Rijk heeft fors bezuinigd op de middelen, waardoor het behalen van de doelen op de lange termijn in het gedrang komt. Er is geen zicht op structurele financiering. Daardoor durven gemeentes geen nieuwe afspraken te maken met lokale partners en dreigt alles wat is opgebouwd, verloren te gaan. De zogenaamde Uitvoerbaarheidstoetsen Decentrale Overheden, de UDO's, zouden moeten zorgen dat overheden bij nieuwe taken voldoende financiële middelen krijgen. We hebben het er net al over gehad, dus dat laat ik even.

Voorzitter. Ik rond af met mijn derde punt, de grote en belangrijke vraag hoe we uit deze kluwen van versterkende knelpunten komen. Met de vorig jaar aangenomen motie van deze Kamer, die overigens nog steeds brede steun heeft, ook van de fracties die vandaag niet meedoen aan het debat, heeft deze Kamer een poging gedaan om tot meer inzicht te komen, zodat we onze controlerende taak kunnen uitvoeren en daarmee bijdragen aan een begin van een oplossing. Hoe voorkomen we dat we dit hier volgend jaar opnieuw tegen elkaar zeggen? Welke route naar een oplossing ziet de minister voor zich? Wat gaat de minister doen, samen met de koepels en de vakministers, om dit anders te gaan doen? Want als je doorgaat met wat je deed, dan krijg je wat je kreeg. Het zal dus echt anders moeten. De fracties van CDA, GroenLinks-PvdA en volgens mij ook de Partij voor de Dieren — dat weet ik niet meer helemaal zeker — kijken uit naar het antwoord.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Lievense van de fractie van BBB.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Lievense i (BBB):

Voorzitter, dank u wel. Gemeentes staan het dichtst bij de mensen. Dat is geen politieke frase, maar de bestuurlijke realiteit van elke dag. Als een inwoner ondersteuning nodig heeft, als een gezin vastloopt, als voorzieningen onder druk staan of verdwijnen, dan gebeurt dat niet in abstracte modellen of verdeelsleutels, maar in wijken, dorpen en steden. Daar komt beleid tot leven of faalt het. Juist daarom kijkt mijn fractie sinds vorig jaar, in gezamenlijkheid met andere fracties binnen deze Kamer, met grote zorg naar de ontwikkeling van het gemeentefonds en in het bijzonder naar de manier waarop de bedragen in het gemeentefonds tot stand komen en worden uitgevoerd. Gemeenten moeten verplicht bepaalde zorgtaken uitvoeren, maar krijgen daar dus te weinig geld voor.

Voorzitter. Laat ik beginnen met de kern. Wat hier speelt is niet alleen een financieel-technisch vraagstuk. Het is in de eerste plaats een vraagstuk van bestuurlijke betrouwbaarheid. Gemeenten moeten kunnen plannen, investeren en verantwoordelijkheid nemen. Dat kan alleen als het Rijk consistent, voorspelbaar en zorgvuldig handelt. Precies daar wringt het. In het debat over het gemeentefonds 2025 heb ik al aangegeven dat gemeenten niet gebaat zijn bij voortdurende wijzigingen, bijstellingen en nieuwe inzichten halverwege het proces. Dat ondermijnt niet alleen de uitvoerbaarheid, maar ook het vertrouwen tussen bestuurslagen. Wat we nu zien, richting 2026, is helaas geen verbetering, maar eerder een bevestiging van dat patroon.

Voorzitter. Gemeenten zijn pas op vrijdag 29 mei via de meicirculaire geïnformeerd over het ingroeipad en de financiële vooruitzichten richting 2027 en verder. Dat moment, laat in het proces, na maanden van onzekerheid en na stevige signalen van onder meer de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, zegt veel, niet alleen over de timing, maar ook over de manier waarop dit dossier wordt aangestuurd. Daar komt bij dat er inmiddels al vier jaar onderzoek is gedaan — mijn collega Fiers gaf het net ook al aan — naar verbetering van het verdeelmodel. Vier jaar. Toch wordt nu opnieuw aangegeven dat er nog eens twee jaar nodig is. Mijn collega Fiers heeft al om reflectie daarop van de minister gevraagd. Terwijl dat onderzoek voortduurt, worden gemeenten wel geconfronteerd met concrete financiële effecten. Dat zijn bovendien effecten die niet altijd zorgvuldig zijn berekend. Zo zijn er fouten gemaakt in de recente indexering van het ingroeipad, die begin juni al weer moesten worden gecorrigeerd. Gelukkig zijn ze gecorrigeerd.

Voorzitter. Dat zijn geen marginale technische onvolkomenheden. Dat zijn aanpassingen met directe gevolgen voor begrotingen, voor investeringen en uiteindelijk voor voorzieningen voor inwoners. Gemeenten zijn druk met hun coalitieonderhandelingen, maar de financiële kaders blijven onzeker. Als je van gemeenten vraagt dat zij hun huishoudboekje op orde hebben, dat zij verantwoordelijkheid nemen voor complexe taken en dat zij financieel prudent opereren, dan mag je van het Rijk op z'n minst verwachten dat het zijn eigen systematiek op orde heeft.

Voorzitter. Wat mijn fractie vooral zorgen baart, is het stapelen van die onzekerheden. Gemeenten moeten coalities vormen, meerjarenraming opstellen en keuzes maken over voorzieningen. Tegelijkertijd worden zij geconfronteerd met een herijking die langer duurt dan voorzien, een ingroeipad dat wel of niet wordt aangepast, waarbij indexaties nog niet helder zijn, en met de mededeling dat er later in de zomer van 2026 meer duidelijkheid komt. Maar gemeenten kunnen niet afwachten tot de zomer. Gemeenten moeten nu besluiten nemen, over woningbouw, zorg, infrastructuur, leefbaarheid, over zaken die inwoners direct raken. Dan is het simpelweg niet acceptabel dat de financiële kaders zo onzeker zijn. Er spelen immers nog meer financiële onzekerheden, zoals de opvolging van het tweede advies van Van Ark met betrekking tot de kosten van de jeugdzorg.

Die onzekerheid raakt gemeenten bovendien op heel concrete manieren in de eigen huishouding. Neem bijvoorbeeld de afhankelijkheid van eigen inkomsten. Voor kleinere gemeenten met veel grondgebied, relatief weinig inwoners en juist veel toeristen, zijn inkomsten uit toeristenbelasting essentieel om de begroting rond te krijgen. Die middelen zijn nodig om naast de taken waarvoor het Rijk onvoldoende middelen beschikbaar stelt, ook de eigen lokale verantwoordelijkheden waar te maken en de leefbaarheid op peil te houden. Als gemeenten daarnaast ook nog eens fors moeten meefinancieren om de rijksinfrastructuur op orde te krijgen, denk aan aanpassingen van rijkswegen voor veiligheid en doorstroming, wordt de druk alleen maar hoger. Voor die gemeenten voelt een beperking of afroming van eigen inkomstenbronnen, zoals de toeristenbelasting, als een extra straf bovenop de toch al kwetsbare financiële positie.

Voorzitter. Diezelfde spanning zien we terug in andere domeinen waar het Rijk te weinig integraal kijkt naar regionale verschillen. Neem de veiligheidsregio's, bijvoorbeeld die in Zeeland. Dit is een regio met relatief weinig inwoners — ja, daar komt-ie weer, meneer Janssen, Zeeland, mijn Zeeland, óns Zeeland — maar wel met een kerncentrale, zware industrie en kwetsbare Natura 2000-gebieden. De risico's zijn daar groot en complex, maar de financiering sluit daar onvoldoende op aan. Gemeenten en veiligheidsregio's krijgen simpelweg niet de middelen om de brandveiligheid robuust genoeg te organiseren. Brandweervrijwilligers draaien overuren en lopen tegen hun grenzen aan. Dat is op termijn niet houdbaar. Dit raakt direct aan de veiligheid van inwoners en bedrijven.

Ditzelfde geldt voor mobiliteit. Ook daar zien we dat beleid en financiering te vaak zijn gebaseerd op Randstedelijke aannames. Die onzekerheid beperkt zich bovendien niet tot de klassieke zorgtaken, maar raakt ook andere beleidsterreinen waarin gemeenten een cruciale rol spelen. Ik verwijs in dat verband naar de toezegging van de staatssecretaris van Onderwijs aan mevrouw Lagas, fractievoorzitter van onze fractie, tijdens het debat over de kerndoelen in het onderwijs. Er is toegezegd dat met de VNG afspraken worden gemaakt over de financiering van ondersteuning bij taalonderwijs.

Voorzitter. In het eerdere debat heb ik namens mijn fractie benadrukt dat gemeenten behoefte hebben aan rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Dat is geen luxe, maar een randvoorwaarde voor goed bestuur. En die behoefte is sindsdien alleen maar groter geworden. Eerlijk is eerlijk, voor de jaren 2026 en 2027 hebben zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer echt wel hele goede zaken gedaan met het vorige kabinet. Dat mag ook gezegd worden. Daardoor is het ravijnjaar in ieder geval twee jaar opgeschoven en is het wat minder diep geworden.

Het is nu aan dit nieuwe kabinet om die twee jaar te benutten om te zorgen dat de gemeenten krijgen waar ze recht op hebben. Zinsneden dat er geen extra geld bij komt, baren mij op het eerste gezicht zorgen. Maar nu we gezamenlijk in deze Kamer hebben geconstateerd dat de vorig jaar in deze Kamer aangenomen motie over inzicht krijgen in taken en financiële stromen nog niet geheel is uitgevoerd, heb ik er vertrouwen in dat als deze helderheid er wel is, de Tweede Kamer met dit kabinet echt keuzes moet gaan maken. Óf taken bij gemeenten weghalen óf geld voor dezelfde taken naar gemeenten toeschuiven; meer dan deze smaken zijn er niet.

Voorzitter. Als het voorgaande niet gebeurt, gaat dit inhouden dat het gemeentefonds niet uitvoerbaar is. Dan komt er een moment — vorig jaar heb ik daar ook al aan gerefereerd — dat deze Kamer de conclusie moet trekken dat ze om die reden niet kan instemmen met de begroting van het gemeentefonds. Laten we wel wezen: daar zit geen enkel kabinet en geen enkel Kamerlid op te wachten. De onderliggende vraag die vandaag voorligt is dan ook niet alleen hoe het gemeentefonds er in 2026 uitziet, maar vooral hoe we het vertrouwen herstellen dat nodig is om dit stelsel te laten functioneren. Mijn fractie ziet daarvoor drie essentiële voorwaarden.

In de eerste plaats: het nakomen van afspraken. Beloften die eerder zijn gedaan over het gemeentefonds, over de systematiek en over de ontwikkeling van middelen, moeten worden waargemaakt. Ze moeten niet opnieuw ter discussie worden gesteld of opnieuw worden vooruitgeschoven. In de tweede plaats: stabiliteit in het proces. Geen nieuwe tussentijdse stappen, die het geheel nog complexer maken, maar een heldere lijn die wordt vastgehouden. Gemeenten moeten weten waar ze aan toe zijn. Niet alleen op korte termijn, maar juist ook meerjarig. In de derde plaats: zorgvuldigheid in de uitvoering. Dat betekent dat cijfers kloppen, dat berekeningen deugen en dat wijzigingen niet achteraf moeten worden gecorrigeerd.

Tegen deze achtergrond heeft mijn fractie een aantal concrete vragen aan de minister. Allereerst: hoe gaat de minister voorkomen dat de herijking opnieuw vertraagt? Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat het proces nu wel binnen de gestelde termijn wordt afgerond? Ten tweede: hoe borgt de minister dat gemeenten tijdig en volledig worden geïnformeerd? Kan de minister toezeggen dat er geen nieuwe verrassingen meer volgen via circulaires op momenten waarop gemeenten hun begrotingen al moeten afronden? Ten derde: hoe gaat de minister het vertrouwen herstellen dat door de opeenstapeling van wijzigingen en correcties onder druk is komen te staan? Wat gaat er concreet anders in de aansturing van dit dossier? Tot slot: kan de minister helderheid geven over de indexatie en het ingroeipad, zodanig dat gemeenten op korte termijn beschikken over stabiele, meerjarige financiële kaders?

Voorzitter, laat ik afronden. De discussie over het gemeentefonds gaat uiteindelijk niet over modellen, verdeelsleutels of technische parameters, maar over de vraag of gemeenten hun werk kunnen doen en of zij hun inwoners kunnen bieden wat nodig is. Het gaat erom of zij verantwoordelijkheid kunnen nemen, zonder voortdurend te worden geconfronteerd met onzekerheid vanuit het Rijk. Mijn fractie vindt dat gemeenten recht hebben op duidelijkheid, op voorspelbaarheid en op een Rijksoverheid die niet telkens bijstuurt, corrigeert en uitstelt, maar op een overheid die levert. Het is aan de huidige minister om te laten zien dat hij die verantwoordelijkheid gaat nemen.

Voorzitter, ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Moonen. Zij spreekt namens de fractie van D66.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Moonen i (D66):

Voorzitter. Onze gemeenten zijn ontzettend belangrijk. Ze vervullen een essentiële rol in onze democratie, omdat zij het dichtst bij de burger staan. Ze zijn daarmee bepalend voor de wijze waarop burgers naar de overheid kijken: je ervaart de overheid in je eigen gemeente. Dat is ook precies de gedachte bij het proces van decentralisatie, waarbij nieuwe taken zijn toegevoegd aan het pakket van gemeentes met het idee dat deze mensen dichtbij de burgers staan en deze taken het beste kunnen uitvoeren.

Dat kan natuurlijk alleen als er een balans is tussen de taken en de financiële middelen. Vanaf deze plek wil de fractie van D66 graag haar dank uitspreken voor al die mensen die in gemeentes werken, dagelijks opkomen voor de belangen van burgers — voor de kijkers thuis bijvoorbeeld — en zich dagelijks met ziel en zaligheid inzetten voor een beter bestaan voor mensen in hun gemeente.

Vorig jaar sprak ik over de lastige dilemma's waar gemeentes voor staan als de middelen tekortschieten. Sluit je als wethouder de openbare bibliotheek of sluit je je laatste openbare zwembad? Het is gebeurd in Gulpen-Wittem, een gemeente in Zuid-Limburg. Beide zijn essentiële voorzieningen, vaak voor kinderen van ouders die het wat minder breed hebben. Sluit je het dorpshuis of kun je het dorpshuis niet meer opknappen? Het huis waar de ouderen en jongeren bijeenkomen, het kloppende hart van het dorp, de ontmoetingsplaats, het sociale bindweefsel van waar je woont: juist in tijden waarin steeds meer mensen eenzaam zijn, zijn ze belangrijk. Dorpshuizen bieden niet alleen een uitkomst, maar bieden ook redding voor mensen.

Vorig jaar zijn er bij de Voorjaarsnota extra gelden ter beschikking gesteld door de vorige regering. Dat was mede op verzoek van D66, maar zeker ook van PRO, BBB, OPNL. Het was een brede coalitie; men was hier allemaal aanwezig. Collega Lievense sprak er al over. Het is belangrijk dat we daarvoor met terugwerkende kracht bedanken, want het is wel gebeurd. Dat geld is vooral ten goede gekomen aan de jeugdzorg. Dan heb ik het over een groep kwetsbare jongeren die complexe zorg nodig hebben; anders zitten ze niet bij de jeugdzorg.

Ik heb veel contact gehad met diverse wethouders in het land, waaronder de wethouder van Middelburg. Van hen hoor ik het volgende. Een gemeente moet een kloppende en sluitende begroting maken; dat is een verplichting. Gemeenten bezuinigen nu fors op bijvoorbeeld onderhoud van wegen en ondergrondse infrastructuur — denk bijvoorbeeld aan de riolering — en maken aldus een begroting die min of meer klopt. De begroting is dan sluitend, maar geeft eigenlijk een totaal vertekend beeld. Het onderhoud, bovengrond en ondergronds, is uitgesteld en de rekening wordt onzichtbaar vooruitgeschoven.

We weten allemaal, zeker als het gaat over infrastructuur, dat het uitstellen van het onderhoud daarvan op termijn betekent dat de rekening nog hoger zal zijn. Het is dus een sluipend proces van uitstel dat niet meer goed zichtbaar is, omdat de begrotingen wel sluitend zijn. Dat is ook wat de wethouders van financiën tegen mij zeiden: het lijkt allemaal op orde, maar eigenlijk is het helemaal niet op orde. Daar wil ik op wijzen. Dat brengt mij tot de volgende vragen.

Wij vragen aan de minister welke oplossing hij ziet om het achterstallig onderhoud van wegen en ook van de ondergrond aan te pakken. De minister kan natuurlijk zeggen dat hij niet de vakminister is, maar dit raakt wel aan een decentrale taak die is neergelegd bij de gemeenten. Ook de VNG vraagt hier aandacht voor, net als de Algemene Rekenkamer, die hierover een vrij ernstig rapport heeft geschreven.

De heer Janssen i (SP):

Mevrouw Moonen, het financieel toezicht op de gemeenten is toebedeeld aan de provincies. Volgens mij zou uw vraag om daar extra aandacht te besteden dus in eerste instantie, misschien via de minister, toch aan de provincies gesteld moeten worden.

Mevrouw Moonen (D66):

Ik denk dat de heer Janssen er wel in gelijk heeft dat het toezicht bij de provincies ligt. Dat is correct. Maar we hebben het hier wel over het gemeentefonds. Dat wordt gevuld met rijksmiddelen. Daar gaat dit debat over. Ik wijs op het sluipenderwijs uit het zicht raken van taken en het laten groeien van het achterstallig onderhoud. Die zaken zijn niet meer zichtbaar omdat de begrotingen steeds sluitend zijn. Dat is wel een kwestie die speelt tussen rijksbegroting en gemeentefonds.

De heer Janssen (SP):

Dan is het nog steeds een taak van de provincies om na te gaan of de begroting van een gemeente ook daadwerkelijk sluitend is en om te kijken of de afschrijvingstermijnen en onderhoudstermijnen voor de riolering en dergelijke goed in beeld gebracht zijn. Ik heb zelf vier jaar financieel toezicht op gemeenten mogen uitoefenen in mijn bestuursportefeuille. De trucs om een begroting sluitend te krijgen zijn allemaal bekend. Maar het ligt echt in eerste instantie bij de provincie om dit soort dingen te doorzien. De provincie moet nagaan of de begroting niet alleen op papier sluitend is gemaakt. Ze moet ook een laag dieper gaan om te kijken of alles klopt.

Mevrouw Moonen (D66):

De heer Janssen heeft daar gelijk in als het om het toezicht gaat. Maar ik heb het nu over de financiële middelen die tekortschieten in het gemeentefonds, waardoor bezuinigingen zich verplaatsen naar zaken die voor een wethouder misschien makkelijker uitlegbaar zijn dan het sluiten van een zwembad, zoals het onderhoud van voorzieningen. Dat is waar ik het hier over heb.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Janssen.

De heer Janssen (SP):

Tot slot. Maar het ligt nog steeds bij de provincie als toezichthouder om dat in kaart te brengen en dan desnoods een begroting af te keuren of niet sluitend te verklaren. Dat wil ik mevrouw Moonen meegeven.

Mevrouw Moonen (D66):

Oké. Dank.

De heer Dessing i (FVD):

Ik sluit aan op de interruptie van de SP, maar met een iets andere insteek. Ik hoor mevrouw Moonen zeggen: als een kerntaak van een gemeente niet goed wordt uitgevoerd, moet de minister daar iets aan doen. De SP had het erover dat de provincie daar eigenlijk naar moet kijken. Maar is het niet zo dat in het huis van Thorbecke juist de gemeenteraad en het college zelf verantwoordelijk zijn voor het in ieder geval uitvoeren van de kerntaken, en binnen de mogelijkheden van de begroting moeten kijken of er op niet-kerntaken bezuinigd moet worden? Dat is toch uiteindelijk aan de gemeenteraad en het college zelf? Hoe kijkt D66 daartegen aan?

Mevrouw Moonen (D66):

Zeker, ik ben het daarmee eens. Het is de verantwoordelijkheid van de raad, samen met het college van B en W, om die afweging te maken. Ik beschrijf wat ik terughoor van de wethouders van Financiën en ook van wethouders met andere portefeuilles, namelijk dat de rek er wel uit is. Ze zitten al op het niveau van de kerntaken. Ze zien niet nog heel veel opties voor bezuinigingen. Dan krijg je de kwestie: waar bezuinig je op? Er wordt bezuinigd op het onderhoud van de lokale wegen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Dat wordt bevestigd in het rapport van de Algemene Rekenkamer. Bijna 50% van het wegonderhoud zit bij lokale overheden en niet bij Rijkswaterstaat. Dat weten veel mensen niet. Het gaat dus over heel wat. We zien dit ook bij de ondergrond en daar maakt de fractie van D66 zich zorgen over.

De heer Dessing (FVD):

Dan toch nog een vervolgvraag. Bijvoorbeeld over de uitvoering van het Klimaatakkoord kan een gemeente zeggen: dat is een kerntaak en dat moet wettelijk gezien. Het rapport-Berenschot over het onderzoek naar de kerntaken, dat ik vorig jaar in de provincie heb laten uitvoeren, zegt dat je wel iets moet doen aan uitvoeringstaken, maar dat je als gemeenteraad en als college keuzes hebt in de wijze waarop je dat doet. Daar kun je dus ook bezuinigingen in aanbrengen. Dat is dan toch een mogelijkheid om zo'n begroting sluitend te krijgen terwijl je toch je kerntaken uitvoert?

Mevrouw Moonen (D66):

Ik wil meegeven dat ik me daar niet te veel illusies over maak. Ik was zelf dijkgraaf bij een waterschap. Ik was verantwoordelijk voor alle rioleringen van dat waterschap. Dat gold niet voor die binnen de bebouwde kom, want daar gaan de gemeentes over. Rioleringen onder de grond hebben gewoon een technische levensduur. Er is uit te tekenen wat je moet doen om het op peil te houden en daar heb je niet heel veel keuzevrijheid in. Dat geldt ook voor het asfalt van wegen. Ik wil niet te technisch worden, maar ook daarvoor gelden bepaalde termijnen waarbinnen je dat moet herstellen. Als je dat niet doet, loop je meer risico's naar de toekomst toe. Ik hoor van de decentrale bestuurders van D66 terug dat zij dat sluipende proces ook zien.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ik ben het met de vorige spreker eens dat je bepaalde prioriteiten kunt stellen als decentrale overheid of als gemeente. Ik zou het volgende toch van mevrouw Moonen van D66 willen horen. Ik hoor haar terecht zeggen dat het onderhoud van de wegen in gemeentes een groot probleem is. Daar zijn te weinig middelen voor. In het vorige debat heb ik het punt van de fysieke infrastructuur aangehaald ten aanzien van de provincie. Toen kwam de reactie van de minister dat hij daar niet direct over ging en dat het niet op zijn bordje lag. Nu hoor ik D66 vragen om daarnaar te kijken vanuit gemeentelijk perspectief. Ik zou mevrouw Moonen de vraag willen stellen of zij het met mij eens is dat wij als Rijksoverheid kritisch zouden moeten kijken naar de wijze van financiering en de besteding van middelen ten aanzien van de opcenten bij de motorrijtuigenbelasting. Die worden door provincies nu nadrukkelijk voor andere doelen gebruikt dan alleen voor de fysieke weginfrastructuur. Daar is natuurlijk ook een stuk gemeentelijk wegennet aan gekoppeld, waar de provincie vaak cofinanciering op pleegt. Kan mevrouw Moonen aangeven hoe zij daartegen aankijkt?

Mevrouw Moonen (D66):

Ik zal kort antwoorden. Ik zie het als volgt. De provincies zijn verantwoordelijk voor de N-wegen. In het vorige debat ging het daar ook over. In principe geldt dat er in het provinciefonds genoeg middelen zouden moeten zitten om de N-wegen goed te onderhouden en te renoveren. Er is de parallel met het gemeentefonds. Daar moeten voldoende financiële middelen in zitten om goed onderhoud te plegen op de gemeentelijke wegen. In die zin is het vergelijkbaar.

De heer Van Hattem (PVV):

Om misschien een kleine misvatting weg te nemen: niet iedere N-weg is een provinciale weg. Daar zitten ook vaak rijkswegen bij, en soms gemeentelijke wegen. Misschien is dit een detail, maar hier worden vaak vergissingen in gemaakt. De N65 tussen Den Bosch en Tilburg is bijvoorbeeld een rijksweg.

Het punt is als volgt. Bij de bestedingen voor wegen is het van groot belang dat er op dit moment al veel meer binnenkomt aan opcenten op de motorrijtuigenbelasting dan wat er door provincies gebruikt wordt voor de fysieke weginfrastructuur. Als wij dit met z'n allen vaststellen, waarbij er sprake is van provinciale cofinanciering voor gemeentelijke wegen, is mevrouw Moonen van D66 het dan met mij eens dat de noodzaak ertoe dwingt, gelet op het gebrekkige wegenonderhoud, om te kijken of we van die opcenten misschien toch weer een doelbelasting moeten maken?

Mevrouw Moonen (D66):

Ik vind dat een interessante kwestie. Ik heb me wat minder verdiept in de vraag of je voor 100% moet correleren dat de opcenten en de belasting allemaal daarnaartoe gaan. Dat kan ik niet helemaal overzien. Ik vind het ook heel belangrijk dat Provinciale Staten daar met elkaar over gaan. Ik ben zelf Provinciale Statenlid. Het lijkt mij iets voor het college van GS en PS om in je eigen provincie de hoogte van de heffing en de besteding daarvan te bepalen. Ik wil eigenlijk niet dat hier vanuit de Eerste Kamer gezegd wordt hoe dat zou moeten. Ik vind dat iets voor het decentrale bestuur.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar wij kunnen natuurlijk wel als Rijksoverheid, waarbij ik nadrukkelijk het initiatief wil leggen bij de Tweede Kamer en het kabinet, kijken naar hoe zoiets is georganiseerd. Dat is in 1981 ook gebeurd. Toen is er gezegd dat het als algemene heffingsgrond bij de provincies kwam te liggen. Ik moet gewoon heel kritisch gaan kijken naar de heffingsgrondslagen en als we merken dat er op de fysieke infrastructuur … Ik heb in het vorige debat over het provinciefonds ook al het rapport van de Boston Consulting Group aangehaald. Er is gewoon een heel groot probleem met de bekostiging van onze infrastructuur, wat ten koste gaat van onze welvaart. Is het dan niet zo dat wij ook als Rijksoverheid hier in Den Haag de vraag zouden moeten stellen of we niet eens landelijk moeten gaan herzien of het nodig is dat er een doelbelasting moet worden geheven voor wegeninfrastructuur, in plaats van de huidige opcenten motorrijtuigenbelasting als algemeen heffingsmiddel?

Mevrouw Moonen (D66):

Dat is wat de PVV betoogt. Ik betoog eerder: zorg ervoor dat er in het gemeentefonds en het provinciefonds voldoende middelen zitten om je wegonderhoud en je ondergrondse onderhoud goed te kunnen doen. Ik zie nu, zoals ik net zei, de beweging dat het naar achteren schuift, dat het niet genoeg prioriteit krijgt. Straks wordt de rekening alleen maar duurder, nog los van mogelijke ongevallen en verkeersonveiligheid die dit gaat opleveren. Daarom vraag ik aan de minister: wat is hierop zijn reactie?

Verder hebben de Raad voor het Openbaar Bestuur en de VNG belangwekkende adviezen geschreven over de balans tussen taak en financiën. De collega's hebben er ook al veel over verteld. Er is een nieuwe verdeelsystematiek bekendgemaakt van de rijksgelden die naar de gemeenten gaan via het gemeentefonds. Maar recent — en de heer Lievense en mevrouw Fiers spraken er ook al over — is er een brief aan de Kamers gestuurd waarin deze voorgestelde herverdeling van het gemeentefonds naar de verschillende gemeentes weer is bevroren. Collega's zeiden het ook al: dit helpt niet. Ik ben het eens met collega's die aangeven dat de gemeentes juist voorspelbaarheid nodig hebben, langetermijnzekerheid. Ik hoor van een aantal gemeentes terug dat ze hadden geanticipeerd op de laatste verdeelsystematiek. Die krijgen even later een brief dat het wordt bevroren, maar die hebben natuurlijk al ramingen en investeringsplannen gemaakt voordat die brief over de bevriezing kwam. Ik noem dat eigenlijk "een soort jojobeleid met financiën". Het is precies het omgekeerde van wat ze vragen. Ik kan het ook heel goed begrijpen, want ik was zelf dijkgraaf. Je moet juist langetermijninvesteringen kunnen doen. Het zijn vaak ook langjarige aanbestedingen om al het werk goed weg te zetten in de markt, dus je wil juist voorspelbaarheid als het gaat om je financiën.

Daar gaat ook mijn vervolgvraag over aan de minister. Kan hij aangeven waarom hij tot deze bevriezing is overgegaan? Misschien zijn er redenen; ik zie ze niet, maar ik kan niet alles overzien. Vandaar deze vraag aan de minister. En is hij van plan, zoals de VNG bepleit, om niet de volgende adviezen van de ROB af te wachten, maar alvast proactief tot oplossingen te komen? Zo ja, hoe is hij van plan dat te gaan doen?

Dan, voorzitter, kom ik aan het eind van mijn betoog. Ik wil eindigen bij de inwoners van de gemeenten. Dat zijn we immers allemaal. Het is belangrijk dat je blij wordt van de voorzieningen van je eigen gemeente en dat de gemeente de kwaliteit van je dagelijks leven verbetert. Hier doen de gemeentes het ook allemaal voor. Om dat te kunnen bewerkstelligen pleit ik dus voor langetermijnduidelijkheid en voorspelbaarheid op het gebied van financiën. Dat zal bijdragen aan het vergroten van de leefkwaliteit van burgers en alle inwoners van gemeenten.

Ik dank u wel en ik zie uit naar de beantwoording van de vragen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Janssen van de fractie van de SP, mede namens de Fractie-Visseren-Hamakers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Janssen i (SP):

Dank u wel, voorzitter. De naar het lijkt nooit eindigende zaak van het verdeelmodel gemeentefonds heeft een nieuwe wending gekregen, te weten dat er voorlopig geen wending komt. Dat is niet verrassend, maar het betekent wel dat een al te lang durende onzekerheid zich nog langer zal voortslepen, met alle gevolgen van dien. Daar zit ook de grootste zorg van de fractie van de SP en de fractie Visseren-Hamakers namens wie ik vandaag ook mag spreken. Dat de koers van het ingroeipad voor de totale herverdeling ongewis is geworden, maakt dat gemeenten nog langer niet zullen weten waar zij in de toekomst aan toe zijn. De tijdelijke maatregelen zullen zich daardoor nog langer opstapelen; het vaste punt aan de horizon is vervaagd.

Die ongewisheid gaat zorgen voor nog meer ad-hocmaatregelen; je zou ook "hapsnapmaatregelen" kunnen zeggen. Het bestuurlijke kompas wijst alleen de kortetermijnbestemming nog aan. Er zal worden doorgeschoven bij gebrek aan langetermijnzekerheid, en die onzekerheid maakt het maken van duurzame keuzes moeilijk, zo niet onmogelijk. Aan burgers zul je als bestuurder niet uit kunnen leggen wat de maatregelen op de lange termijn zullen betekenen voor de inwoners, de cohesie en het leefklimaat. Hoe ziet de minister dit voor zich, dit schipperen op woeste zee, met een onzekere bestemming in een wankele financiële boot?

Het grote risico dat deze onzekerheid met zich meebrengt, is dat er ook nog veel langer besluiten — lees: bezuinigingen — gaan worden genomen die een grote aanslag op de sociale cohesie zullen betekenen, dat er nog langer en nog meer bezuinigd gaat worden op zaken die van cruciaal belang zijn voor juist die gemeenschap, voor de samenhang, voor een leefbare samenleving, preventie, sport, armoedebestrijding, cultuur en zo meer. Op het oog zijn dat misschien makkelijke bezuinigingen, die op de langere termijn echter het bouwwerk van een samenleving verzwakken, doen wankelen en uiteindelijk zullen doen instorten.

Er is bij financiële krapte veelal wel aandacht voor de stenen, maar niet voor het cement dat die stenen bij elkaar houdt. Wat eenmaal weg is, krijg je niet meer terug, terwijl het juist de zachte voorzieningenkant van de samenleving is die de gemeenschap maakt tot wat die is, en dat staat onder druk. Het rommelt al te lang financieel bij gemeenten en ik wil graag van de minister horen hoe hij de net geschetste gevolgen voor de samenleving en voor de gemeente als gemeenschap ziet als resultaat van de weer langer voortdurende onzekerheid. Een bijkomend risico waarop ik graag een reactie van de minister wil horen, is hoe hij de gevolgen van dit uitstel voor de uitvoering ziet. Even een voorbeeld uit eigen ervaring: een fenomeen dat vaak onderbelicht en onbesproken blijft, is het fenomeen van het generiek korten op gemeenschappelijke regelingen. Met een simpele rekensom worden bij financiële krapte alle gemeenschappelijke regelingen gelijkelijk gekort, zonder daarbij de gevolgen voor de uitvoering van de specifiek daar belegde taken in beeld te hebben. Gemeenschappelijke regelingen worden veelal toch gezien als iets op afstand, terwijl ze toch echt iets zijn van de gemeenten zelf. Dan zijn er ook nog de gemeenschappelijke regelingen waar ook de provincie in deelneemt. En laat nou de minister de toezichthouder zijn op dat soort gemeenschappelijke regelingen van gemeenten en provincie. Herkent de minister dit fenomeen en deelt hij de zorgen van onze fracties dat daarmee de uitvoering nog verder onder druk komt te staan en daarmee ook het kabinet, zeg ik er maar bij, dat daar last van kan krijgen bij het uitvoeren van de kabinetsambities?

Voorzitter. Nu de koers van de herverdeling ongewis is geworden, wil ik de minister tot slot vragen op welk kompas hij zelf gaat varen om de gemeenten zo snel mogelijk weer een blik te kunnen bieden op de noodzakelijke veilige haven van financiële zekerheid, een zekerheid op langere termijn, die nodig is om een gemeente ook in de toekomst daadwerkelijk een gemeenschap te kunnen laten zijn.

Ik kijk uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan wil ik nu graag het woord geven aan de heer Van der Goot van OPNL, en hij spreekt mede namens de fracties van de Partij voor de Dieren en Volt.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van der Goot i (OPNL):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst heet ik de minister van harte welkom. U bent al zo'n beetje de hele dag in dit huis. Het is een genoegen om met u van gedachten te wisselen over een heel belangrijk issue voor de burgers en voor de gemeenten in dit land.

Ruim een jaar geleden stonden we hier ook als Kamer met de toenmalige minister van BZK voor een debat over het gemeentefonds. Toen ging het over de kosten van jeugdzorg en het rapport van de commissie-Van Ark. Er lag toen ook een helder ROB-advies over medebewindstaken, met als titel Afrekenen met disbalans. Dat rapport loog er niet om en constateerde een diepe kloof tussen de gemeenten, die stellen te weinig geld te krijgen voor het uitvoeren van hun wettelijke medebewindstaken, en het kabinet, dat van mening is dat de gemeentelijke financiën er goed voor staan en dat het de gemeenten ontbreekt aan uitvoeringskracht.

Zo is ook de motie-Fiers aangenomen over het borgen van de autonome taak van gemeenten. Daarin werd de regering gevraagd om "bij het aanbieden van de begroting van dit jaar aan het parlement expliciet te onderbouwen hoe de diverse te onderscheiden medebewindstaken adequaat gefinancierd zijn en inzichtelijk te maken hoe er voldoende budget resteert voor de autonome taken van gemeenten". Collega Fiers heeft daar al op gewezen. Die motie is nog niet uitgevoerd. De vraag is dan: wat betekent het voor onze fracties voor de voorliggende begroting als moties niet worden opgevolgd?

De ROB constateerde vorig jaar terecht dat een dergelijk verschil van inzicht tussen Rijk en gemeenten ten koste gaat van het gezag dat de burger toekent aan de overheid. Bedenk wel, zo merk ik op, dat het hierbij ook nog eens gaat over overheidstaken op lokaal niveau die direct raken aan wat de burger ziet van de overheid. Als vertegenwoordiger van een groot aantal lokale en provinciale partijen kan ik niet anders dan deze waarschuwing van de ROB krachtig onderschrijven.

Vorig jaar, ruim twee maanden na de stemming over de begroting van toen, kwam de ROB met het advies Meters maken met medebewind. De kern daarvan is glashelder. De ROB zegt in feite: zorg voor een duidelijk en volledig overzicht van de medebewindstaken die worden bekostigd vanuit het gemeentefonds. Daarbij moet inzichtelijk worden gemaakt welk deel van het gemeentefonds voor autonoom beleid bedoeld is. De vraag die vandaag voorligt, is daarmee ook een staatsrechtelijke vraag. Kan het parlement zijn budgetrecht en controlerende taak volwaardig uitoefenen als het niet kan beoordelen of de gemeenten voor het naar behoren uitvoeren van medebewindstaken de middelen ontvangen die artikel 108, derde lid van de Gemeentewet verondersteld? Het antwoord van de ROB is even ongemakkelijk als helder: nee.

In de kabinetsreactie van januari dit jaar heeft het kabinet zich echter weinig bereid getoond om hiermee aan de slag te gaan. Ook hierop is vandaag al gewezen. Dat is teleurstellend, want het raakt de kern van het ROB-advies en van de noodzakelijke eerste stap naar meer inzicht voor kabinet, parlement en gemeenten. De wel aangekondigde verkenning van financiële en niet-financiële monitoring, waarvan de resultaten als het goed is snel zullen volgen, is een belangrijke eerste stap, maar niet voldoende, zoals collega Fiers ook al opmerkte. Waarom toch die aarzeling van het kabinet?

Het kabinet geeft aan dat een breed overzicht van medebewindstaken waarin kosten centraal komen te staan, praktische bezwaren oproept. Dit zou leiden tot segmentering van middelen en gaat in tegen de vrije besteding van middelen en tegen de gangbare verantwoordingsrelatie tussen Rijk en decentrale overheden. Meer gedetailleerde beleidsinformatie en financiële onderbouwing zouden daardoor leiden tot een hellend vlak met de inperking van de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten: wie zou dat willen?

Voorzitter. Hier is een misverstand in de discussie geslopen of in ieder geval een verschil in interpretatie tussen de ROB en het kabinet. Onze fractie ziet het gemeentefonds als een monumentaal huis met een twijfelachtige fundering. Waar het kabinet vooral een praktische, onuitvoerbare verbouwing lijkt te zien, vraagt de ROB iets anders, namelijk: maak inzichtelijk hoe het huis is opgebouwd en welke onderdelen welke functie hebben. Zo kom je erachter wat je moet doen om het huis weer op orde te krijgen, om weer vertrouwen in de fundering te krijgen. Onze fracties hebben daarom de volgende vragen aan de minister. Ten eerste: kan de minister concreet onderbouwen waarom het genereren van inzicht op gespannen voet zou staan met de vrije besteding van middelen door gemeenten? Immers, inzicht genereren kan toch ook blijven bij het doel dat het bedient, namelijk inzicht bieden?

Twee. Ervan uitgaande dat het verschaffen van inzicht in taken en middelen ten principale iets anders is dan het oormerken van middelen: zou de minister de toezegging willen doen alsnog met beide adviezen van de ROB aan de slag te gaan? Dat zou dus betekenen: afrekenen met de disbalans tussen taken en bevoegdheden en middelen van de gemeenten. Ik roep in herinnering dat hierover vorig jaar door deze Kamer een motie is aangenomen die hiertoe oproept voor wat betreft het toen al beschikbare advies. Onze fracties roepen de minister op om de ROB-adviezen serieus te nemen en de koepels, in dit geval de VNG, daadwerkelijk te betrekken bij het traject en op hoofdlijnen de medebewindstaken en de financiering daarvan inzichtelijk te maken.

Waar het kabinet op dit moment nog vooral onmogelijkheden lijkt te zien, adviseert de ROB nu juist naar de mogelijkheden te kijken, en dat heeft het gemeentefonds meer dan nodig. In onze ogen zijn de koepels hierbij onmisbaar vanwege hun kennis van bestuurlijke en financiële verhoudingen. Onze fracties vragen of de minister hiertoe bereid is. Wil de minister samen met de koepels, in dit geval de VNG, een eerste stap zetten om mee te denken over de wijze waarop de inzichtelijkheid wél verkregen kan worden?

Voorzitter. Over dit onderdeel van mijn bijdrage moet mij nog een punt van het hart. Soms lijkt het discours over de financiële verhoudingen tussen Rijk en gemeenten mede ingegeven te worden door wantrouwen of onbegrip. De angst voor micromanagement bij meer inzicht in taken en financiën is daar een goed voorbeeld van; iets wat leeft op het departement. In het huis van Thorbecke hebben parlement, kabinet en decentrale overheden ieder hun plek met bijkomende verantwoordelijkheden, maar uiteindelijk moeten we het samen doen. Dat heeft de commissie-Polman ook gezegd. Ik wil namens OPNL, Volt en de Partij voor de Dieren aangeven dat het gewenste inzicht in het gemeentefonds er niet moet komen uit wantrouwen, maar vanwege onze verantwoordelijkheid als begrotingswetgever en vanuit de ambitie om gemeenten blijvend in staat te stellen hun autonome en medebewindstaken goed uit te voeren. Deelt de minister dat het uitstralen van vertrouwen in elkaar noodzakelijk is voor alle betrokken partijen? Wij hopen op een positief antwoord.

Voorzitter. Dan nog twee wat specifiekere punten. Onze minister stelt vast dat het besluit tot herverdeling van het gemeentefonds met twee jaar wordt gepauzeerd. Daar kun je veel van vinden, zoals al door verschillende sprekers is gezegd. Maar vooral het feit dat er de nodige tijd genomen gaat worden en dat er geen zelfopgelegde deadline wordt gecreëerd die moeilijk kan worden gehaald, kan op onze steun rekenen als er wordt gewerkt aan hetgeen wij vragen. Dat past goed in het straatje van rust, reinheid en regelmaat. Maar rust om niks is niet goed. Kan de minister toezeggen de koepels in een vroeg stadium te betrekken bij deze exercitie om inzicht te krijgen om zo van meet af aan te zorgen voor een zo breed mogelijk draagvlak? Deelt de minister onze overtuiging dat juist een stapsgewijze integrale verkenning van de decentralisatie van taken en de financiering daarvan, waarbij de gemeenten zijn betrokken als voorwaardelijke deelnemer, een bijdrage levert aan het herstel van vertrouwen tussen Rijk en decentrale overheden?

Dan de inflatiecorrectie. Vanochtend is de brief binnengekomen van de minister van Financiën, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken. Hierdoor loop ik misschien een minuut uit de tijd. Ik hoop dat u me dat toestaat, voorzitter. Deze reactie had ik namelijk niet ingepland. Ook hierover ligt een vorig jaar breed aangenomen motie-Van der Goot c.s. die nog niet is uitgevoerd. De antwoorden van beide ministers gaan dieper op de materie in dan ik nu wil doen. Wel constateer ik dat het kabinet de vraag uit de motie feitelijk doorschuift naar de evaluatie van de normeringssystematiek. Maar de motie vraagt om iets anders. Zij vraagt niet om een directe aanpassing van de systematiek en ook niet om extra geld voor het lopende jaar, zij vraagt slechts te onderzoeken hoe moet worden omgegaan met structureel te lage inflatieramingen en of daarvoor een correctiemechanisme denkbaar is.

Voorzitter. Het kabinet benadrukt steeds de waarden van stabiliteit en voorspelbaarheid. Dat doet de commissie-Polman trouwens ook. Dat zijn zonder meer belangrijke waarden, maar stabiliteit is geen doel op zichzelf, als dat tenminste zou inhouden ieder jaar stabiel te laag te ramen. Dat is voorspelbaar en consistent. Gemeenten lopen daardoor wel structureel middelen mis, en dat is toch niet de bedoeling. Stel dat een huishouden de prijsstijging ieder jaar opnieuw te laag inschat, dan ontstaat er ieder jaar opnieuw een tekort. Dat tekort wordt niet minder problematisch doordat het zich met grote voorspelbaarheid herhaalt. Integendeel. Dan is er sprake van een structureel probleem. Onze fracties vragen zich af of dat niet precies is wat zich de afgelopen jaren bij gemeenten heeft voorgedaan.

Voorzitter. Ook het rapport Samen bouwen aan resultaten benadrukt het belang van stabiele financiële verhoudingen en van structurele bekostiging van structurele taken. Onze motie staat daar niet haaks op. Integendeel. Stabiliteit is een groot goed, maar zij verliest aan waarde als gemeenten jaar op jaar middelen mislopen doordat de ramingen stelselmatig te laag uitvallen. De commissie-Polman onderstreept dat structurele taken structureel moeten worden bekostigd. Dan is het niet meer dan redelijk om te onderzoeken hoe met dergelijke ramingsafwijkingen moet worden omgegaan.

Daar komt bij dat het kabinet deze vraag nu onderbrengt bij de bredere evaluatie van de normeringssystematiek. Daarmee dreigt de relatief concrete vraag uit een breed aangenomen motie voor meerdere jaren vooruit te worden geschoven. Onze fracties vinden dat moeilijk te rijmen met de wens van deze Kamer om op dit punt spoedig meer duidelijkheid te krijgen. Ook hierover zal de ROB desgewenst om advies kunnen worden gevraagd. Onze vraag aan de minister is daarom of hij kan toezeggen de ROB hierover om advies te vragen, zodat hij op dit punt uitvoering kan geven aan de breed aangenomen motie.

Onze fracties zien uit naar de antwoorden van de minister. Dank u wel. Net binnen de tijd.

De voorzitter:

Precies binnen de tijd, ondanks de brief die vanochtend nog kwam. Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Dessing van de fractie van Forum voor Democratie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dessing i (FVD):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan minister Heerma voor zijn aanwezigheid.

In de debatten van vorig jaar is in deze Kamer uitvoerig besproken hoe desastreus het beleid vanaf 2015 in de praktijk heeft uitgepakt. Veel partijen, inclusief de toen verantwoordelijke, erkenden de grote problemen. Toch laat ik hier als fractie van Forum voor Democratie een ander geluid horen dan de bijdrages tot nu toe.

Het Rijk stapelt maatregelen en wetten die de lastendruk voor gemeenten en voor de inwoners van gemeenten steeds zwaarder maken. Er ontstond daarna in het debat een onnavolgbaar vliegen afvangen over de vraag hoe de onduidelijkheid enerzijds over de beleidsvrijheid van de decentrale overheden en anderzijds over medebewindstaken precies te duiden valt. Kamerbreed werd opgeroepen om daar eindelijk duidelijkheid over te scheppen. En nu, één jaar later, is niemand in dit huis ook maar iets wijzer geworden.

Voorzitter. Voor ons ligt nu wel een begroting die opnieuw in omvang is toegenomen, terwijl de problemen bij cruciale voorzieningen toenemen. En kent u die grap van het financiële ravijn? Ja, dat kwam dus niet. En dat gaat ook niet komen. Het is onderdeel van een wederzijdse gijzeling. Aan de ene kant is er de VNG, die meer geld eist voor de gemeenten, en aan de andere kant is er het Rijk, dat steeds meer taken, niet altijd zijnde kerntaken, bij de gemeenten neerlegt. Dit leidt vervolgens tot aanhoudende hoge ambities en uitgaven van gemeenten, die onder druk staan om hun kerntaken, zoals betaalbaar wonen, jeugdzorg, openbare ruimte en onderwijshuisvesting, overeind te houden.

De keuzes die gemeenten hierbij maken zijn soms onnavolgbaar. Kijk bijvoorbeeld maar eens even naar het coalitieakkoord van Amsterdam dat deze week is gesloten. Daarin staat dat er aan de ene kant wordt bezuinigd op de jeugdzorg, terwijl aan de andere kant de opvang voor 30.000 illegale immigranten wordt uitgebreid naar onbeperkte duur en bovendien wordt gefaciliteerd door de gemeente, die er zelfs voor kiest om bij tegengas uit Den Haag de kosten hiervoor zelf te zullen dragen. En dit terwijl de straten van Amsterdam verloederen door zwerfvuil vanwege falend regeringsbeleid. Is dit nu een voorbeeld van de uitvoering van medebewindstaken of is dit een eigen verantwoordelijkheid, iets wat de gemeente zelf mag bepalen? Rechtvaardigt dit soort beleid uitbreiding van het gemeentefonds? Wij hebben sterk onze twijfels.

Kortom, de lastendruk voor burgers blijft door deze "ambitieuze bestedingen" alleen maar toenemen — de ozb-belasting en de stijgende parkeerkosten zijn slechts twee voorbeelden hiervan — terwijl de voorzieningen die de decentrale overheden juist als kerntaak zouden moeten prioriteren verder verschralen. Vervolgens is een medebewindstaak die daadwerkelijk uitgevoerd lijkt te worden de vervanging van infrastructuur, wat de energievoorziening onzeker maakt en de mobiliteit frustreert.

Voorzitter, ik rond af. Het moge duidelijk zijn: Forum voor Democratie gaat ook niet akkoord met deze begroting, ook niet vanuit onze rol in de Eerste Kamer. Wij roepen de minister en het parlement op tot een urgente herziening van wat we hier met z'n allen aan het doen zijn. Het is hoog tijd dat we in het belang van onze burgers echt gaan nadenken over een radicale systeemwijziging, zodat deze fatale trend van alsmaar stijgende uitgaven en verschraling van voorzieningen eindelijk wordt gestuit. Wij kijken uit naar een heldere reflectie van de minister op de volstrekt onduidelijke financiering van de decentrale overheden, want anders is, zoals zo vaak, de burger de dupe. Dat mogen wij, zeker in deze tijd, niet laten gebeuren.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Hattem van de fractie van de PVV.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem i (PVV):

Dank, voorzitter. De omvang van het gemeentefonds is eigenlijk niet het probleem. Die is nu zo'n 47,5 miljard euro. In 2000 hadden we het nog over een kleine 16 miljard. Het is in de afgelopen kleine 25 jaar toch fors gegroeid. Dat noemde professor Van den Berg van parlement.com vorig jaar nog het "opgeblazen gemeentefonds". Ik denk dat dat wel een terechte constatering is. We moeten wat de PVV betreft dus ook niet zonder meer extra geld verstrekken aan gemeentes. Het gaat er juist om dat we duidelijkheid krijgen over waarvoor gemeentes aan de lat staan qua medebewind, zodat gemeentes scherper kunnen begroten binnen hun eigen open huishouding.

We zien nu in heel veel gemeentes dat er extra ambtenaren in dienst worden genomen. Daarbij wordt onder andere verwezen naar de SPUK's die ze moeten uitvoeren. Je krijgt dus ook een versterkt effect op dat vlak. De vraag aan de minister is hoe hij denkt te voorkomen dat gemeenten nog meer beleidsambtenaren in dienst gaan nemen en de overheid dus nog harder laten groeien, en ondertussen straks rode cijfers gaan schrijven in bijvoorbeeld het sociale domein. Hoe gaat dat zich tot elkaar verhouden?

Bij kleinere gemeentes wordt vaak geroepen: dan is gemeentelijke herindeling de oplossing. Maar ik hoor toch graag van de minister of dat inderdaad het geval moet zijn. Ik was bijvoorbeeld afgelopen weekend nog in Noord-Frankrijk. Daar zie je piepkleine dorpjes met een paar honderd tot een paar duizend inwoners die gewoon een mooie eigen mairie hebben, waardoor het lokale bestuur dicht bij de inwoners staat. Hoe gaat deze discussie over de verdeling van middelen en de taken waar gemeentes voor staan ook de discussie over de lokale autonomie, het zelfstandige bestuur, raken? Daar krijg ik graag een reflectie op van de minister.

Dan kom ik op een ander punt. Ten aanzien van het gemeentefonds wil de PVV-fractie graag aandacht voor de modelparameters, waar wij ook eerder in schriftelijke vragen bij hebben stilgestaan. Graag horen we of de minister bereid is zo spoedig mogelijk te stoppen met modelparameters die een perverseprikkeleffect met zich mee dragen, zoals bijvoorbeeld middelen voor asielzoekers en migranten. Die worden in berekeningen voor het gemeentefonds als maatstaaf meegenomen. Vanwege allerlei beleidswensen die provincies en gemeentes met financiële problemen opzadelen, zien gemeentes zich genoodzaakt om asielzoekers op te vangen met het oog op financiële tegemoetkomingen. Dit levert behalve relatief meer geld uit het gemeentefonds ook veel geld via het COA op. Deze perverse prikkel zit ook als bonus in de asieldwangwet, de Spreidingswet. Maar juist omdat gemeentes gaan wedijveren, levert het onder de streep niet meer geld op. Het leidt echter wel tot minder leefbaarheid, hogere kosten, onveiligheid, criminaliteit, gebrek aan woningen voor onze eigen mensen en meer onnodig leed voor onze eigen burgers. Zo zien we bijvoorbeeld in de gemeente 's-Hertogenbosch dat er veel meer geld wordt uitgetrokken voor asielopvang, voor extra ambtenaren op dit dossier, onder andere omwille van het omwonendenoverleg, dat nu met name moet plaatsvinden vanwege de omstreden amv-opvang in Engelen. Het is dus veel voordeliger om gemeentes niet met asielopvang op te zadelen.

Voorzitter. Ten aanzien van het gemeentefonds dezelfde vragen die we al bij het provinciefonds hebben gesteld in het vorige debat, over het in beeld brengen van de medebewindstaken. We horen hier dus graag de nadere, door de minister toegezegde, reactie op, en dus niet alleen maar algemeenheden. Daarbij kunnen we ook nog voor een groot deel aansluiten bij de vragen die mevrouw Fiers van de fractie van GroenLinks-PvdA heeft gesteld over de lokale autonomie.

Tot slot, voorzitter. Het is van belang om heel scherp in beeld te kunnen krijgen wanneer er binnen dit kader sprake is van instrumenteel medebewind of zelfs mechanisch medebewind of facultatief medebewind, en de mate waarin de gemeentes nog beleidsvrijheid hebben en de consequenties die daaruit voortvloeien. Daarom is het van groot belang dat we dit onderzoek scherp in beeld hebben, zodat er ook scherpe keuzes kunnen worden gemaakt en gemeentes ook binnen die lokale autonomie mogelijkheden hebben om eventueel te bezuinigen en niet steeds te horen kunnen krijgen dat iets een rijkstaak is die ze dan toch maar dienen uit te voeren. Kortom, daar hebben wij dus de nodige vragen en gedachtes bij. Ik hoor graag de reactie daarop nog in deze termijn.

De heer Dessing i (FVD):

Een helder betoog van de PVV, waarbij ik me voor een heel groot deel kan aansluiten. Ik heb een verhelderende vraag voor de heer Van Hattem. Hoe kijkt hij naar het punt dat ik in mijn betoog maakte over het feit dat je aan de ene kant kunt kijken naar de uitgaven en of die omhoog of omlaag zouden moeten, maar aan de andere kant de taakuitvoering en het ambitieniveau van de gemeentes? Hoe verhoudt dat zich volgens de PVV tot elkaar? En zouden we misschien niet moeten kijken naar meer terug naar de kerntaken, waardoor we die financiën wat beter onder controle zouden kunnen krijgen? Dit los van het verhaal van de immigratiekosten dat ik volledig met hem deel.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik moet zeggen dat de heer Dessing daar een aantal treffende voorbeelden bij had, onder andere die opvang van illegale vreemdelingen. Mijn eigen gemeente, 's-Hertogenbosch, houdt ook bewust een bed-bad-broodregeling in stand voor degenen die dit land eigenlijk al hadden moeten verlaten, en dat ook op eigen kosten.

Kijk, het is natuurlijk wel zo dat gemeentes een open huishouding hebben, dus ze kunnen in hun autonomie zelf keuzes maken voor waar ze geld aan uitgeven. Maar aan de andere kant, als ze voor heel veel van zulk soort dingen geld over de balk jagen en dan bij het Rijk gaan aankloppen met dat ze toch meer geld moeten hebben voor hun taken, wat ook een kwestie van keuzes maken is ... Daarom vind ik het ook belangrijk dat we duidelijk in beeld hebben wanneer er sprake is van echt hard — ik noem het zo maar even — medebewind, dus dat het Rijk zegt "gemeente, gij zult deze taak uitvoeren en daar is vanuit het gemeentefonds een budget voor", en anderzijds waarom sprake is van voor een deel facultatief medebewind, waarbij gemeentes er voor een deel zelf voor kunnen kiezen om bepaalde taken in te vullen, dus ook zaken waar ze zelf geld voor over de balk gooien.

Ik kan totaal verschrikkelijke voorbeelden aanhalen van hoe er geld wordt verspild aan veel te dure theaters, aan allerlei hobbyprojecten, subsidies die worden uitgedeeld, waarbij diezelfde gemeentes die aan dat soort zaken geld verspillen ondertussen steen en been klagen dat ze niet genoeg krijgen van het Rijk. Tja, dan vind ik dat je prioriteiten moet stellen. En dan vind ik het belangrijker dat er geld gaat naar bijvoorbeeld het sociale domein, naar jeugdzorg, naar de Wmo, ook al zijn dat taken die deels in medebewind plaatsvinden. Dus dat daar dan wel de prioriteit bij ligt. Maar ja, daarvoor is het wel belangrijk om dat overzicht te hebben, zodat die keuzes scherp gemaakt kunnen worden.

De heer Dessing (FVD):

Heel helder, dank voor de toelichting.

De heer Van Hattem (PVV):

Graag gedaan. En dat was mijn eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Hattem.

Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan schors ik de vergadering tot 21.00 uur, voor een halfuur dus.

De vergadering wordt van 20.30 uur tot 21.00 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. We zijn toe aan het antwoord van de regering in de eerste termijn. Ik geef het woord graag aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Heerma i:

Dank u wel, voorzitter. Eerder vandaag sprak ik uit dat dit de eerste keer is dat ik met uw Kamer spreek over de financiën van medeoverheden. Ik kan u aangeven dat het nu de tweede keer is dat ik met uw Kamer spreek over de financiën van medeoverheden, al voelt het ergens ook alsof het twee debatten zijn met veel overlap. Dat betekent dat sommige onderwerpen deels beantwoord zijn. Ik kan helaas niet voorkomen dat in mijn beantwoording in eerste termijn enige dubbelingen zitten — dat gebeurde bij een deel van de sprekers ook al — met de beantwoording in de eerste termijn van het vorige debat, omdat een aantal van de onderwerpen dezelfde zijn.

U heeft in uw inbrengen veel naar voren gebracht over dit thema. Dit thema is duidelijk zeer belangrijk voor uw Kamer; dat bleek ook in het debat van vorig jaar. Hieruit spreekt zorg over en betrokkenheid bij de positie van medeoverheden. Met mevrouw Moonen van D66 waardeer ik de inzet van ambtenaren op gemeentelijk niveau zeer. Daar wilde ik mee starten, maar graag wil ik nog een punt maken. In een aantal bijdragen proef ik teleurstelling over waar we nu staan in een aantal trajecten, zowel bij het verdeelmodel van het gemeentefonds als bij de kabinetsreactie op de ROB-adviezen en de uitvoering van de motie-Fiers van vorig jaar. Ik begrijp dat. Ik was liever ook een stuk verder geweest. Zoals de heer Janssen van de SP in zijn eerste termijn zei: er moet voorkomen worden dat we gaan schipperen op woelige zee. Ik wil niets liever dan helderheid voor gemeentes en provincies. Ik ben het geheel met u eens dat stabiliteit, rust en voorspelbaarheid in de richting van gemeenten van ontzettend groot belang zijn.

Verder vraagt de heer Van der Goot van OPNL wat het voor de komende periode betekent als moties niet worden uitgevoerd. Ik begrijp deze vraag. Het kan niet de bedoeling zijn om moties vanuit deze Kamer zonder nadere toelichting simpelweg niet uit te voeren. Ik ben dan ook nadrukkelijk bezig uitvoering te geven aan de moties, aan zowel die van de heer Van der Goot als die van mevrouw Fiers. Ik zal u meenemen in de wijze waarop we dat doen. Uiteindelijk is het vervolgens ook aan uw Kamer om te beoordelen of een motie naar tevredenheid is uitgevoerd.

In dit debat wil ik vooruitkijken en voor u schetsen waar ik aan werk. Wat de terugblik betreft wil ik graag één opmerking maken. Wat betreft de thematiek rondom medebewindstaken, het ROB-advies of de ROB-adviezen zie ik dat steeds geprobeerd is om twee zaken aan te geven voor mij en mijn voorgangers. Dit betreft in de eerste plaats het instemmen met de constatering van de ROB dat het niet in alle gevallen goed lukt om het juiste gesprek te voeren over taken en de daarbij behorende middelen en dat hiervoor inzicht nodig is. In de tweede plaats betreft dat het schetsen van de context waarbinnen we dit doen, met onder andere het belang van beleidsvrijheid, het beperken van administratieve lasten en vragen over eventuele spanningen die dat kan oproepen. Maar ik constateer ook dat dit tweede punt veel aandacht heeft gekregen door de wijze van beantwoording en de discussie die zij opgeroepen heeft. De heer Van der Goot ging daar in zijn inbreng heel expliciet op in. Daarmee constateer ik ook dat wij er helaas niet in zijn geslaagd om de balans tussen die twee zaken naar voren te brengen op een manier die goed genoeg is. Dat betreur ik en reken ik ook onszelf aan, zeker omdat bij een deel van uw Kamer zelfs de indruk is ontstaan dat ik of mijn voorgangers geen of weinig werk wilde maken van de opvolging van het ROB-advies en de motie. Ik heb er in ieder geval van geleerd. Ik wil in de toekomst voorkomen dat u het gevoel heeft dat ROB-adviezen en moties van uw Kamer niet serieus worden genomen of niet worden uitgevoerd, te beginnen met dit debat. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om met u vooruit te kijken en u mee te nemen in de stappen die ik van plan ben te zetten.

De heer Lievense i (BBB):

Ik vertrouw altijd op de woorden van de minister — zo zit ik nou eenmaal in elkaar en zo zit het bestel in elkaar — maar ik wil hem toch iets meegeven, en daarmee ook de organisatie achter deze minister. Deze woorden hebben wij namelijk in de afgelopen anderhalf jaar ook van twee andere ministers gehoord. Dat is geen verwijt aan deze minister; het is een constatering die ik namens mijn fractie tracht mee te geven als extra urgentie voor de woorden die de minister uitspreekt.

Minister Heerma:

Ik wil in dit debat duidelijk schetsen wat de stappen zijn die we gaan zetten. Dat wil ik zo concreet mogelijk doen. Dan kunnen we in de komende maanden en in het najaar met elkaar verder kijken of de woorden die ik hier uitspreek, in de praktijk voldoende navolging krijgen. Ik kon er na de eerste termijn van de Kamer echter niet omheen om te constateren dat er, met name met betrekking tot de ROB-adviezen en de uitvoering van de motie, voldoende ontevredenheid geuit is aan de kant van de Kamer en twijfel of er intentie was om de moties uit te voeren. Die is er absoluut wel.

Ik heb in de eerste termijn, bij het debat over het provinciefonds, aangegeven dat het bij provinciale financiën niet om een louter technische kwestie gaat. Dat geldt voor de financiën van gemeenten vanzelfsprekend ook. Het gaat hier om de kern van onze democratie: een goed functionerende decentrale eenheidsstaat, waarin taken op passende wijze toebedeeld zijn aan gemeenten en provincies en er een goede balans bestaat in het gehele takenpakket. Als minister van Binnenlandse Zaken voel ik me bijzonder verantwoordelijk voor deze balans, samen met de collega-ministers in het kabinet. Ik sta voor goed openbaar bestuur en voor de eigen positie en beleidsvrijheid van gemeentes en provincies binnen ons bestel. Alles begint daarbij met goede interbestuurlijke en financiële verhoudingen. Ik zie het als mijn opdracht om de samenwerking te versterken en de rust, voorspelbaarheid en stabiliteit te vergroten, met daarbij steeds — het is in het vorige debat ook al herhaaldelijk aangehaald — de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoerende kracht voor ogen. Ik heb in het vorige debat ook aangegeven dat dit niet in één dag bereikt is of in één dag is opgelost.

Ik wil u graag meenemen in mijn voornemens, de vier lijnen die ik in het vorige debat ook geschetst heb. Dat zal ik heel kort doen. Ik zal beginnen met de versterking van de samenwerking. In het vorige debat is vrij uitgebreid ingegaan op de samenwerkingsagenda waar we nu mee werken. We hopen die met de medeoverheden in september te sluiten en naar de Kamer te sturen. Daar zijn in dit debat niet opnieuw vragen over gesteld. Ik zal dit blok in deze beantwoording overslaan. Verder: het werken aan balans, inclusief de discussie over de ROB-adviezen. Daar zijn in dit debat wel veel vragen over gesteld, dus daar kom ik op terug. Dan kom ik op de goede verdeling van de fondsen, in dit geval het gemeentefonds. Daar zijn ook vragen over gesteld, met name over de twee jaar uitstel en dus de bevriezing. Ten slotte kom ik op wetgeving en instrumenten. Ik zal dus op de tweede tot en met de vierde lijn ingaan in dit debat en niet op de eerste, want die hebben we uitgebreid in het vorige debat besproken. Ik ga dus heel kort, in navolging van het vorige debat, in op die vier lijnen.

De eerste lijn is het versterken van de samenwerking, volgend op het advies van de commissie-Polman, dat leidend is voor het kabinet om te komen tot de samenwerkingsagenda met medeoverheden. De tweede lijn betreft het werken aan balans. Het kabinet heeft oog voor de financiële positie van gemeenten en is zich ervan bewust dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is van Rijk en gemeente om samen aan de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te werken. Ik begrijp de zorgen die de Kamer heeft over dit belangrijke vraagstuk. Terecht heeft u aandacht gevraagd voor goed zicht op de uitvoering ervan en de balans bij medebewindtaken en de ROB-rapporten hierover. Het gesprek hierover vind ik belangrijk en ik wil een stap naar voren zetten. Het gesprek over balans en de omvang van de koek moeten we gericht kunnen voeren. Dit gaat niet alleen om geld. De oplossingen voor disbalans kunnen ook liggen op het vlak van bevoegdheden, inhoudelijke sturing door Rijk en medeoverheden. Daarbij wil ik de blik dus vooral vooruit richten. Ik ben aan de slag, mede op basis van de adviezen van het ROB over medebewind, met een verkenning. Ik kom straks uitgebreid op de uitwerking van deze adviezen terug.

Bij het werken aan de balans horen ook de gesprekken die momenteel plaatsvinden over jeugd en Wmo en de onderzoeken die zijn opgeleverd op de provinciale terreinen van natuur, ov en infra, waarover bij het debat vanmiddag al uitgebreid is gesproken. Er liggen dus verschillende bouwstenen op tafel en er zullen er de komende tijd nog meer volgen. Deze bouwstenen leiden tot meerdere gesprekken tussen onder anderen vakministers en IPO en VNG. Waar nodig acht ik het mijn rol deze gesprekken aan te jagen. In al deze gesprekken zal de vierslag die ik steeds benoem, die volgt uit het rapport van de commissie-Polman, aan de orde zijn. Het gaat dus niet alleen om financiële middelen. Er moet ook gekeken worden naar het eventueel bijstellen van ambities of het anders beleggen van taken. Ook moet er rekening mee worden gehouden als een van de partijen niet over de uitvoeringskracht beschikt om het op orde te krijgen. In het vorige debat benoemde ik daarbij de arbeidsmarkt als een van de mogelijke redenen. Als deze gesprekken als uitkomst hebben dat er iets met de financiële middelen moet gebeuren, zal daarnaar gekeken moeten worden bij de financiële besluitvormingsmomenten van he kabinet.

Dan was de derde lijn de verdeling van de fondsen. Er zijn veel vragen over gesteld in relatie tot het gemeentefonds. Daar kom ik zo op terug. De laatste gaat over de extra middelen.

In de blokken — ik heb er vier — zal ik op de verschillende vragen ingaan. Het eerste is de balans, dan de verdeling van de fondsen, dan de ontwikkeling van enkele instrumenten en wetgeving en ik sluit af met een blokje overig waarin de resterende vragen aan de orde komen.

De heer Van Hattem i (PVV):

Mij realiserende dat de minister iets uitgebreider terugkomt op hoe wordt omgegaan met de rapporten en de verkenning, hoorde ik hem toch ook iets zeggen over tekorten op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. In mijn eerste termijn heb ik aangehaald dat veel gemeenten ervoor kiezen om nu massaal extra ambtenaren in dienst te nemen. Als tekorten op de arbeidsmarkt zien op het in dienst nemen van extra ambtenaren, onder andere vanwege de SPUK's, kan de minister dat aspect daar dan in ieder geval bij betrekken? Het aannemen van extra ambtenaren is niet de oplossing; daarmee wordt eerder achter de feiten aangelopen. Eerst zal moeten worden gekeken of het wel een taak is die op deze manier door een gemeente moet worden ingevuld, al dan niet in medebewind.

Minister Heerma:

Ik kom op de vragen die de heer Van Hattem stelt, wederom als laatste spreker in dit debat, terug in het laatste mapje dat ik heb. Ik realiseer me dat een groot deel van mijn inleiding bijna hetzelfde is als de inleiding bij het eerste debat. Het gaat juist over de balans van die vier zaken: ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarbij geldt in algemene zin dat ook het beschikbaar zijn van voldoende gekwalificeerd personeel met name bij kleinere gemeenten een vraagdruk kan zijn. Dit bedoelde ik in algemene zin naar aanleiding van het rapport van de commissie-Polman en een discussie. Volgens mij had de heer Van Hattem het in zijn termijn er ook over dat het zich soms verengt tussen alleen taken en knaken. Op zijn specifieke vraag kom ik later in mijn termijn terug.

De voorzitter:

Is dat voldoende?

De heer Van Hattem (PVV):

Dat is op zich voldoende, maar ik hoor de minister nou weer een woord gebruiken dat ik de laatste tijd vaker hoor. Dat is voor mij een beetje een neologisme, in die zin dat ik het een paar jaar geleden nergens hoorde vallen en nu komt het overal over de schutting. Ik heb het over het woord "uitvoeringskracht". Misschien is het goed voor het debat als de minister even duidt wat hij precies verstaat onder "uitvoeringskracht".

Minister Heerma:

De reflectie op een neologisme laat ik even voor wat het is, want ik weet niet of ik precies begrijp wat de heer Van Hattem daarmee bedoelt. In het rapport van de commissie-Polman wordt niet alleen over taken en knaken gesproken, maar wordt juist over uitvoeringskracht gesproken. Ook als de ambities, de taken en de middelen er op zich zijn, moet er de mogelijkheid zijn om het uit te kunnen voeren. Dat wordt "uitvoeringskracht" genoemd. Een van de dingen die daarbij in de weg kan staan, is de arbeidsmarkt. Uitvoeringskracht is het beschikken over capaciteit, vaak menskracht en deskundigheid, om met ambities om te kunnen gaan. Ik weet niet of het de Van Dale zal halen, maar dit zou mijn antwoord zijn.

Voorzitter. Ik wil nu naar het blok over balans gaan. Hier zijn de meeste vragen over gesteld en daar is de meeste aandacht aan besteed. Dit is ook logisch, gegeven het debat van vorig jaar en de motie-Fiers c.s., die vrij breed ondertekend is, ook nog door aanwezigen hier in dit debat. De lijnbalans naar aanleiding van het advies van de ROB en de motie is een zeer belangrijk aandachtspunt in uw Kamer. Ik wil de beantwoording langs vier onderdelen doen: de aanleiding, de eerste brief die betrekking heeft op inzicht, de tweede brief die betrekking heeft op overzicht, en het vervolg. Specifiek door mevrouw Fiers werd gevraagd hoe wordt voorkomen dat we over een jaar precies staan waar we nu staan.

Allereerst de aanleiding. De Raad voor het Openbaar Bestuur sneed in zijn adviesrapporten Afrekenen met disbalans en Meters maken met medebewind terecht aan dat het niet in alle gevallen voldoende lukt om als Rijk en decentrale overheden het juiste gesprek te voeren over taken. Daardoor is er sprake van disbalans tussen taken, middelen, bevoegdheden en uitvoeringskracht. Het duurt vaak te lang om inzicht te krijgen in de omvang en oorzaken van de disbalans, die zich op een taak manifesteren. Dit leidt tot frustratie aan beide zijden. Eerder in mijn betoog meldde ik al dat we de verkenning op dit moment samen met IPO en VNG uitvoeren. Dat was een nadrukkelijke wens die de heer Van der Goot in zijn bijdrage uitte. Hij wilde dat de koepels hierbij betrokken worden. Dat is de bedoeling en ik kan dus ook toezeggen dat dit gebeurt.

We voeren op dit moment samen met de koepels, VNG en IPO, en de betrokken ministeries deze verkenning uit naar aanleiding van de rapporten van de ROB over medebewind en de kabinetsreactie hierop. Het doel van de verkenning is om tot een concreet voorstel te komen voor monitoring: hoe kan monitoring van medebewind bijdragen aan een beter gesprek over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht? Dat raakt de kern waar de ROB over adviseerde.

Wat bedoel ik daarmee? Met de verkenning beoog ik inzicht en overzicht in de medebewindtaken te versterken. Met beter inzicht en overzicht kunnen we een beter gesprek voeren, zowel tussen Rijk en medeoverheden, alsook met het parlement. Ik zal nu concreet ingaan op de vraag wat de verkenning zal opleveren en wanneer dit gebeurt.

Mevrouw Fiers i (GroenLinks-PvdA):

Misschien even ter verduidelijking: het gaat over de aanleiding van het onderzoek. Die aanleiding kwam ook vanuit deze Kamer. Wij zeiden namelijk dat we geen inzicht hebben en daardoor niet kunnen doen wat van ons gevraagd wordt: toetsen of de taken in verhouding staan tot het geld. Deelt de minister die conclusie van het rapport? Het begint tenslotte altijd bij een gezamenlijk startpunt. En geldt dat ook voor hemzelf? Wij zeggen: wij hebben dat inzicht niet en kunnen daardoor niet toetsen of het gemeentefonds wel voldoet. Dat is ook wat de ROB klip-en-klaar constateert. Mijn vraag aan de minister: is hij het eens met die conclusie? Zo nee, waarom niet? En geldt dat ook voor hemzelf?

Minister Heerma:

Ik wil voorkomen dat we in de discussie van vorig jaar terechtkomen, maar tegelijkertijd kan ik niet anders dan erin meegaan dat de motie uitgevoerd moet worden en dat er dus meer inzicht moet komen. Daarom sprak ik net over de monitoring en over de vraag hoe we de motie gaan uitvoeren om meer inzicht en overzicht te geven. Tegelijkertijd kan ik op dit moment niet anders. In het laatste stuk van de eerste termijn van de Kamer ging het gesprek op een gegeven moment over gemeentes die geld over de balk smijten. Het ging in detail over gemeentes die andere dingen doen dan wij met elkaar — althans sommigen in dit parlement — vinden dat ze zouden moeten doen. Wat er vorig jaar in de beantwoording, in de balans, misschien is misgegaan, is dat de nadruk te veel op de risico's is gelegd, waardoor het beeld is ontstaan dat we de adviezen niet serieus nemen en de motie niet willen uitvoeren. Tegelijkertijd is het in de praktijk lastig om overzicht te geven en moeten we dus opletten hoe we daar met elkaar mee omgaan. Maar dat is geen reden om het niet te doen.

Laat ik een voorbeeld geven. Voorbeelden zijn altijd lastig, maar ik zal er toch één pakken. Als het gaat om de Wmo, zetten sommige gemeentes sterk in op knarrenhofjes. De uitgaven die deze gemeentes binnen de Wmo doen, laten relatief groene cijfers zien. Dat zeg ik in navolging van de rode cijfers die door uw Kamer werden genoemd. Tegelijkertijd wordt er echter elders extra geld uitgetrokken om de knarrenhofjes te realiseren. Bij de jeugdzorg zou je hetzelfde kunnen doen: gemeenten die veel uitgeven aan sportvoorzieningen, kunnen daardoor mogelijk minder geld uitgeven aan de jeugdzorg. Maar het geld wordt wel ergens uitgegeven. Dus ja, er moet meer inzicht in komen. Ja, we nemen het ROB-advies serieus. Ik vind ook dat uw Kamer door de toezegging over inzicht en overzicht meer ruimte krijgt om haar controlerende taak uit te voeren, wat de wens van de motie was. Het kabinet krijgt ook meer overzicht. Ik draai de redenatie dus om: niet de zorg en de reden waarom je het niet doet, maar we gaan er wel naar kijken. Nee, we gaan ernaar kijken.

Ik wil toch deze opmerking maken: we moeten dat met elkaar nog steeds voorkomen. Die verantwoordelijkheid hebben we met z'n allen. Ik heb jarenlang als Kamerlid in de andere Kamer gezeten. Ook daar hebben we weleens discussies gehad waarin op basis van specifieke informatie over een specifieke regeling specifieke conclusies werden getrokken over wat specifieke gemeenten allemaal wel en niet goed doen. Gelukkig heb ik in de eerste termijn van dit debat vrijwel iedereen horen spreken over autonomie, het huis van Thorbecke en lokaal bestuur, maar die kanttekening zit er wel bij. Dat is dus een opletpunt waar we met elkaar bij stil moeten blijven staan. Ik hoop niet dat mijn voorbeelden tot heel veel specifieke vragen leiden.

De heer Van der Goot i (OPNL):

Integendeel, zou ik willen zeggen tegen de minister. Ik denk dat onze bekommernis of zorg is dat het niet slechts een verkenning is, maar dat het eigenlijk ten grondslag ligt aan onze taak als begrotingswetgever om het hele pakket samen met de koepels door te nemen, uiteraard in fases. Dat het een langdurig traject zal zijn, neem ik van u aan, maar daar is het eigenlijk op gericht. Ik hoop dat die boodschap, ook van collega Fiers, is overgekomen.

Minister Heerma:

En niet alleen van collega Fiers, maar ook van de heer Van der Goot zelf. Volgens mij gaf hij in zijn eerste termijn heel duidelijk aan dat de intentie moet zijn om uit te gaan van vertrouwen in plaats van van wantrouwen. In mijn poging om de redenering om te draaien probeer ik aan te geven: ja, we gaan er serieus mee aan de slag en dat doen we op basis van vertrouwen. Daarbij geldt dat we met elkaar moeten blijven opletten dat we wat we doen met die extra informatie, ook in vertrouwen met de medehoofdleden blijven doen. Daar moeten we elkaar ook op blijven aanspreken, omdat het anders ten koste zal gaan van de autonomie. Maar ik ga dus in eerste instantie bij het uitwerken van de verkenning uit van het vertrouwen waar ook de heer Van der Goot zelf om vroeg.

Ik was gebleven bij wat de verkenning gaat opleveren en wanneer dat gebeurt. Verschillende leden vroegen naar de voortgang van de verkenning. De heer Van Hattem van de PVV wenste hierbij een grote mate van concreetheid. Ik ga mijn best doen. Dan is het aan de heer Van Hattem om te oordelen of de concreetheid groot genoeg is. Zoals ik aangaf, zal ik in de komende maanden bij twee gelegenheden uw Kamer expliciet informeren over de voortgang van de verkenning. De eerste gelegenheid is komende zomer, met het traject inzicht, met daarbij het verdere vervolg en de agenda die hierbij hoort. De tweede gelegenheid is in het najaar, bij het traject overzicht.

Bij het inzichttraject gaat het om het uitwerken van casuïstiek op een aantal taken. Op basis van een nadere analyse hiervan verdiepen we het inzicht in de balans bij een aantal taken en trekken we lessen voor verbetering van de monitoring. Ook trekken we hieruit lessen voor het beter voeren van het gesprek over disbalans. De aanbevelingen van de commissie-Polman nemen we hier vanzelfsprekend in mee.

Verder stellen we een nadere duiding op van hoe de bijzondere fondsuitkering, de BFU, onderdeel van de te wijzigen Financiële-verhoudingswet, kan bijdragen aan een betere monitoring van taken en aan een beter gesprek hierover, zowel tussen Rijk en koepels als tussen kabinet en uw Kamer. De opbrengst van het inzichttraject en de duiding van de BFU ontvangt u dus deze zomer, met de agenda.

De tweede brief, die in het najaar zal volgen, gaat over het spoor overzicht van de ROB-verkenning. Daarmee werken we aan een onderzoek om een beter overzicht te krijgen van zowel de autonome taken als de medebewindstaken. Het betreft een verdieping van het onderzoek Beleidsvrijheid geduid, dat de ROB in 2019 heeft uitgevoerd. Het gaat hierbij concreet om een lijst met belangrijke medebewindstaken per taakveld over de volledige breedte van het gemeentelijke en provinciale activiteitenpakket. Wij willen die lijst zo volledig mogelijk, maar ook praktisch hanteerbaar maken, en overzicht biedend voor uw Kamer. Wij geven per taakveld inzicht in de kosten, de mate van beleidsvrijheid van taken, de ontwikkelingen hierin, in het bijzonder die van grote omvang, en de sturingsmogelijkheden voor gemeenten en provincies hierbij. Deze brief ontvangt u dus dit najaar.

Dan de vervolgstappen, waar uw Kamer ook om vraagt.

De voorzitter:

Mevrouw Fiers eerst nog.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag is bedoeld om helderheid te krijgen over het advies van de ROB, dat aangaf: dit zou wat ons betreft een routekaart kunnen zijn om die duidelijkheid te krijgen. Daarop volgde de brief van de regering — volgens mij was dat begin dit jaar — waarin werd gesteld: dat gaan we niet doen; we kiezen voor een verkenning. Dat heeft in ieder geval bij mij de indruk gewekt dat we iets anders gaan krijgen dan de routekaart die de ROB aangaf. Dat zou moeten leiden tot voldoende inzicht om als Kamer ook iets zinnigs te kunnen zeggen over de relatie tussen de taken, het geld en de beleidsruimte.

Ik probeer toch even of de minister mij kan uitleggen wat precies het verschil is tussen wat u "een verkenning" noemt, wat in twee fases komt, en het advies van de ROB. Ik heb ook de ROB gebeld met de vraag: wat denken jullie dat het verschil is? Ik geloof dat de heer van OPNL daarstraks ook zei dat er hier misschien sprake is van een misverstand. Het is inderdaad de heer Van der Goot. Het is onduidelijk, althans voor mij, wat precies het verschil is. Ik zou willen voorkomen dat we hier volgend jaar staan en zeggen: we hebben toch iets anders gekregen dan wat de bedoeling was.

Minister Heerma:

Ik ben in mijn eerste termijn begonnen met reflecteren op het feit dat in de beantwoording tot nu toe de nadruk te veel gelegen heeft op het tweede spoor. Dat is het handelen in vertrouwen versus in wantrouwen, waar — ik zou bijna "de heer van OPNL" zeggen — de heer Van der Goot het over had. Ik heb ook aangegeven dat we met deze verkenning juist uitvoering proberen te geven aan wat zowel de ROB-adviezen vragen als wat de Kamermotie vraagt. Dat is kennelijk niet altijd duidelijk geweest in de beantwoording en in de beelden die daardoor zijn opgeroepen. Een misverstand ontstaat aan twee kanten, maar ik heb daarbij de hand in eigen boezem gestoken, ook in de manier waarop ik het zeg.

Of de verkenning en de schets op onderdelen voldoende tegemoet komen aan wat u wil ... Ik heb expliciet proberen te zeggen dat we dit deze zomer en dit najaar opleveren. Dat is ook omdat dat de Kamer de kans biedt om te zeggen of zij dit goed genoeg vindt, of dit voldoende inzicht geeft en of dit voldoende is voor de monitoring en de invulling van haar controlerende taak. Daarover ga ik nadrukkelijk het debat en het gesprek met u aan, omdat dat ook voorkomt dat we hier over een jaar staan en dan constateren dat we niet verder zijn gekomen dan we een jaar daarvoor waren. Dat is het antwoord. Het is dus juist de bedoeling om invulling te geven aan de motie en het ROB-advies. Op basis van de eerdere beantwoording is daar onduidelijkheid over ontstaan. Ik probeer specifiek te schetsen welke stappen we nemen, om te laten zien dat we er serieus mee bezig zijn.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank voor de beantwoording op dit punt, in zo veel mogelijk concreetheid, zo zeg ik maar even. Ik heb toch de volgende vraag aan de minister. Zijn ambtsvoorganger ... Ik weet even niet meer welke het was, want we hebben er een aantal gehad de afgelopen jaren.

Minister Heerma:

Het zijn er best veel geweest.

De heer Van Hattem (PVV):

Die gaf aan het overzicht waar de ROB om had gevraagd, niet te willen leveren. Als je dat overzicht van de medebewindstaken zou maken, dan zou dat ten koste gaan van de invulling van de lokale autonomie. Deze minister zegt nu het overzicht te gaan maken. Ik hoor graag of hij dan toch afstapt van de denkrichting van zijn ambtsvoorganger en de ruimte wil geven om dat overzicht in te vullen.

Het tweede punt daarbij is het rijtje zaken dat de minister opnoemde. Het ging mij even te snel om ze allemaal op te schrijven, maar ik hoorde hem het taakveld en de kosten noemen, en nog een paar zaken. Ik zou graag één ding goed in beeld krijgen as we het hebben over de medebewindstaken. Dat betreft de juridische grondslagen, of in ieder geval de grondslagen voor het beleid. Ik zou graag duidelijk hebben op basis waarvan een medeoverheid een bepaalde taak uitvoert, zodat dat goed inzichtelijk is. Kan de minister op deze twee punten misschien een reactie geven?

Minister Heerma:

Zonder te veel in herhaling te vallen. De heer Van Hattem vraagt in het eerste deel van zijn vraag naar iets wat ik heb proberen uit te drukken in mijn beantwoording van de vragen van het lid Fiers van, in dit huis nog steeds, GroenLinks-PvdA. Ik wil niet alleen verwijzen naar voorgangers. Dat waren er volgens mij vijf in de afgelopen vijf jaar. Deze discussie heeft met name betrekking op het debat van vorig jaar, maar heeft ook betrekking op de beantwoording op uw vraag zoals die onder mijn eigen verantwoordelijkheid schriftelijk is gedaan. Dat is dus één.

Het is niet zo, dat ik met wat ik hier zeg, de zorgen die zijn geuit in de tweede lijn van beantwoording los wil laten. Wat ik probeer te doen in dit debat is juist omdat het benadrukken van de zorgen — die volgens mij reëel zijn en die ik met voorbeelden heb geprobeerd te schetsen — de indruk ontstaat dat we niet de motie gaan uitvoeren en dat we niet het ROB-advies opvolging gaan geven. Die indruk wilde ik wegnemen, vandaar dat ik de redenatie omdraai, een beetje in het kader van het eerst geven van vertrouwen zoals de heer Van der Goot dat heeft gedaan.

Misschien ook mijn voorganger citerend "het gaat bij de verkenning om het vinden van een balans tussen enerzijds de wens en de gevoelde urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds het belang om niet te treden in de autonomie van medeoverheden en de mogelijkheid tot het voeren van integraal beleid, terughoudend zijn in het opvragen van beleidsverslagen en de beperking van administratieve lasten". Dit citaat geeft aan dat, ook in de beantwoording van mijn voorganger, de beide elementen al zaten. Ik constateer alleen hier in de schriftelijke vragen die zijn gesteld en de termijn die de Kamer zojuist heeft gehad, dat door de balans in de beantwoording te veel de indruk is ontstaan dat de zorgen overheersen en niet het uitvoeren van de adviezen. Daarom heb ik geprobeerd in deze termijn de volgorde om te draaien.

De heer Van Hattem (PVV):

Het gaat er uiteindelijk om dat de welwillendheid er is bij de minister om een overzicht op te stellen en die was er in eerdere fases naar mijn idee in mindere mate. Ik heb het hier zelf in ieder geval nooit gehad over vertrouwen of wantrouwen. Vertrouwen is aanwezig tot het tegendeel wordt aangetoond. Wat mij betreft is dat vertrouwen er gewoon. Daarom vragen we ook gewoon door, net zolang tot we het vertrouwen hebben dat het ook op tafel komt te liggen. Daarbij had ik een tweede vraag gesteld, namelijk naar de grondslagen van het medebewind en dat die duidelijk in beeld worden gebracht, zodat gemeentes en iedereen in het land duidelijk kunnen zien: dit is een taak op basis van medebewind op basis van die en die wet of die en die regeling die wordt uitgevoerd. Dan heeft dat in ieder geval een duidelijke onderbouwing.

Minister Heerma:

Op deze specifieke vraag zou ik graag in de tweede termijn terugkomen, omdat ik nu op dit moment het antwoord hierop niet paraat heb.

De heer Lievense (BBB):

Ik kom toch ook nog even terug op die routekaart. Overigens kan mijn fractie er prima mee leven dat het van de zomer of in het najaar komt, in ieder geval dat deze minister er werk van maakt. Ik zat nog even te kijken binnen de structuur naar hoe het departement werkt. Ik zat te graven in stukken uit Binnenlandse Zaken en toen dacht ik bij mezelf: alleen een routekaart is misschien iets te weinig. We hebben ook nog weleens met contourennota's gewerkt. Dat lijkt me dan weer iets te zwaar, maar als er iets tussenin zit … Het hoeft geen contourennota te zijn, maar het mag wat mij betreft wel iets meer duiding hebben dan alleen een route, zodat we het goede gesprek kunnen voeren. Is de minister bereid om de tussenweg te zoeken?

Minister Heerma:

Dat vinden van die tussenweg kan altijd. Ik was van mening of ik had in ieder geval de intentie om met de beantwoording juist die tussenweg te vinden. De vraag van de heer Lievense doet me nu twijfelen of mijn intentie in de praktijk ook is gelukt, maar daar was ik naar op zoek.

De voorzitter:

De heer Lievense, even snel.

De heer Lievense (BBB):

Voorzitter. Ik wil het toch even wat duiden, want het lijkt nu net of we deze minister een heel spervuur aan vragen stellen en de lijnen ertussen aan het zoeken zijn. Ik hoorde net de heer Van Hattem namens de PVV zeggen: het is niet dat er geen vertrouwen is in deze minister. Dat wil ik toch weer benadrukken. We hebben alleen een verleden met dit dossier en vandaar dat we zo heel erg tussen die regels zitten. Ik snap dat het ongemakkelijk is dat we zo op de punten en komma's zitten, maar dat is de reden. Ik wilde dat wel even benoemd hebben.

Minister Heerma:

Maar nu heb ik het gevoel dat ik zelf onduidelijkheid heb gecreëerd en wel door te verwijzen naar de heer Van der Goot. Eén. Ik heb er geen probleem mee dat deze Kamer mij het vuur aan de schenen legt met vragen. Dat is onderdeel van de parlementaire controle en een bewindspersoon die daar niet tegen kan, zou hier niet moeten staan. Twee. Ik ervaar geen gebrek aan vertrouwen en ik weet heel goed hoe de vertrouwensregel werkt. Het vertrouwen waar ik aan probeerde te refereren in mijn termijn, gaat over de balans tussen het eerste deel van de beantwoording en het tweede deel van de beantwoording, zoals mijn voorgangers en ik tot nu toe betracht hebben, en dat de heer Van der Goot aangaf dat hij zou zeggen "ga meer uit van vertrouwen".

Dat probeer ik vorm te geven door de redenatie om te draaien, waarbij in de zorg over de decentrale eenheidsstraat de autonomie van gemeentes niet weg is, maar ik 'm plaats nadat we eerst de monitoring gedaan hebben, het overzicht geven en uitvoering hebben gegeven aan de moties en de ROB-adviezen. Dat is het vertrouwen waar ik aan refereerde en niet het vertrouwen van de Kamer richting het kabinet en of het ingewikkeld is om daar vragen over te krijgen. Ik kan niet alle vragen, zeker niet die van de heer Van Hattem, allemaal in het moment beantwoorden, maar dat is wat ik bedoelde met het uitgangspunt van vertrouwen, waar de heer Van der Goot het in zijn termijn over had.

Ik heb net geschetst wat we met inzicht en overzicht willen doen in die twee brieven, die dus deze zomer en dit najaar komen, met de intentie om daar ook op dat moment met uw Kamer het debat te voeren over of dat voldoende is bij wijze van stappen in de wens om meer inzicht te krijgen.

Dan de vervolg...

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Misschien nog eentje: in het najaar? Als we hier volgend jaar niet met elkaar op hetzelfde punt willen staan, zou het fijn zijn dat we ook nog met elkaar kunnen overleggen voordat de begroting er ligt. Dus waar hebben we het dan over? 1 oktober? Want als het weer richting het einde ... Nu zijn we natuurlijk uitermate laat met de behandeling, maar je zou willen dat we een goed gesprek hebben met elkaar op het moment dat die tweede brief er ligt. Hebben we dan wat we willen? En dan zou er nog tijd moeten zijn om het daar ook met de minister over te hebben, voordat er een kant-en-klare begroting ligt.

Minister Heerma:

Ik denk in alle eerlijkheid dat dat deze zomer vereist en ik weet nog niet precies wat de planning van de begrotingsbehandeling is, dus ik kan niet toezeggen dat het sowieso lukt voor de begrotingsbehandeling. Maar ik wil wel toezeggen dat ik in ieder geval probeer het in november te doen, zodat het wel dit jaar nog besproken kan worden.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

"Voor de begrotingsbehandeling" lijkt mij juist wel de toezegging, want als we hier volgend jaar niet weer willen staan met "we hebben geen inzicht, overzicht" dan moet het voor de begrotingsbehandeling. Dat lijkt me toch wel de minste toezegging.

Minister Heerma:

De begrotingsbehandeling staat volgens mij op dit moment gepland voor begin november. Ik probeer mijn toezegging daarvoor gestand te doen. Ik zal een tijdpad zetten in de brief die uw Kamer van de zomer krijgt. Ik moet een kleine slag om de arm houden, maar ik begrijp waar de vraag van mevrouw Fiers vandaan komt.

De vraag is: hoe gaan we om met de verkenning zodra die er is? Ik kan daar niet op vooruitlopen en nu aangeven wat de uitkomst van de verkenning precies gaat zijn. De verkenning zal aandacht besteden aan de balans tussen enerzijds de wens en urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds de fundamentele uitgangspunten binnen het huidige stelsel, waar ik het zojuist al over heb gehad, en de beleidsruimte van medeoverheden. Wat ik voor me zie, is dat we op basis van de opbrengst van de verkenning handvaten hebben voor een beter gesprek over de taken tussen departementen, BZK en de koepels en dat we komen tot een beter proces om met disbalans om te gaan. Ik zal uw Kamer informeren over welke concrete stappen daarbij horen.

Verder ben ik voornemens om het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies, waarmee uw Kamer jaarlijks wordt geïnformeerd over de financiële positie van gemeenten — overigens meen ik dat dit tot stand is gekomen op verzoek van de Eerste Kamer, een senator destijds van PvdA-huize — uit te breiden met informatie over de beleidsvrijheid per taakveld, de ontwikkeling hierin ook in relatie tot de lasten. Met uw Kamer ga ik graag in gesprek over of en hoe deze agenda u gaat helpen bij uw informatiepositie en controlerende taak en de wijze waarop we dit goed laten werken met elkaar.

Hoe verhouden meer monitoring en meer inzicht zich tot de eigen beleidsruimte en de verantwoordelijkheid van medeoverheden daarbinnen? Hoe geef je vorm aan het feit dat gemeenten en provincies middelen vrij mogen besteden? Met de verkenning en de uitwerking daarvan beoog ik dus ook invulling te geven aan de motie-Fiers, zoals zojuist ook aangegeven, en daarmee aan de controlerende taak van het parlement.

Dan hierbij nog de specifieke vragen. Mevrouw Fiers vraagt of ik de analyse van de Raad voor het Openbaar Bestuur uit 2001 onderschrijf. De ROB heeft toen vastgelegd dat een krachtig decentraal bestuur van wezenlijke waarde is binnen onze democratie om een vijftal belangrijke redenen. Ik sta zonder meer voor een krachtig decentraal bestuur en ik onderschrijf dan ook de vijf redenen waarom de ROB in het advies uit 2001 het belang van een krachtig decentraal bestuur onder de aandacht heeft gebracht. Eén. Het brengt de politiek dicht bij de burger. Twee. Het is een laagdrempelig overheidsloket. Drie. Het kan wendbaar inspelen op de ontwikkelingen in de samenleving. Vier. Gemeenten en provincies zijn nodig voor het bereiken van landelijke doelen. En vooral, gemeenten en provincies zijn een onmisbaar onderdeel van de checks-and-balances van macht en tegenmacht.

Het lid Fiers vroeg me ook te reflecteren op het vertrouwen in de politiek in relatie tot de financiële positie van gemeenten. Als minister van Openbaar Bestuur en Decentrale Overheden trek ik me het vertrouwen in de politiek aan. Ik waag me niet aan een bespiegeling over hoe het vertrouwen samenhangt met de financiële positie van gemeenten, want het zijn complexe tijden. Ik zie wel dat het meer gaat om de onzekerheid over de toekomst dan om de financiële positie nu. Het zijn onzekere tijden voor gemeenten om begrotingen op te stellen. Er wordt veel van hen gevraagd, zoals op het terrein van woningbouw en zorg. Wel is het zo dat de financiële positie van alle gemeenten samen de afgelopen jaren is verbeterd door de overschotten die gemeenten sinds 2020 konden boeken, zo'n 2 miljard per jaar.

Het lid Fiers vroeg me hoe ik tot mijn oordeel kom over de gemeentelijke autonomie. Ik begrijp deze vraag. Dat er zorgen zijn over de gemeentelijke autonomie is terecht. Ik wil benadrukken dat de gemeentelijke autonomie het beschermen waard is, ook wanneer gemeenten door het Rijk in medebewind worden geroepen. Autonomie en medebewind moeten naast elkaar kunnen bestaan. Wel moeten we er met elkaar voor zorgen dat medebewindtaken niet een zodanig beslag leggen op mensen en middelen bij gemeenten dat zij feitelijk geen invulling meer kunnen geven aan hun autonomie.

In mijn betoog vandaag probeer ik uit te leggen welke stappen ik daartoe aan het zetten ben. Verder zal ik me er de komende tijd nadrukkelijk voor inzetten om niet steeds vanuit Den Haag al te nadrukkelijk te bepalen wat gemeenten in Nederland doen. We moeten, zoals de Grondwet zegt, ook zaken aan gemeentes en provincies kunnen overlaten.

De heer Janssen i (SP):

Even een korte reactie op hoe de minister het formuleerde: "… wanneer gemeenten door de Rijksoverheid tot medebewind worden geroepen". Moet ik het zo begrijpen dat zij daarvoor worden uitgenodigd en daartegen ook nee kunnen zeggen, zoals ik in het vorig debat aangaf? Of is het tot medebewind worden geroepen een opdracht die niet mag worden geweigerd?

Minister Heerma:

Het uitgangspunt is dat medebewind verplicht is. Daar staan ook weer dingen tegenover, maar het is geen totaal vrije keuze.

De heer Janssen (SP):

Dank voor deze duidelijkheid. Dan zal ik daar in de tweede termijn zelf nog even op terugkomen.

De heer Van Hattem (PVV):

Misschien toch voor alle scherpte van het debat: ik heb in mijn termijn ook gerefereerd aan dat je natuurlijk verschillende vormen van medebewind hebt. Er is natuurlijk ook facultatief medebewind, waarbij gemeentes een grote mate van beleidsvrijheid hebben om het zelf in te vullen en een mechanisch medebewind, waarin het voor gemeentes hetzelfde is hoe ze iets moeten invullen. Dus als de minister nou zegt "gemeentes moeten het", kan hij dan, ook ten aanzien van het overzicht dat moet worden gemaakt, nog wel die verschillende vormen van medebewind meenemen? Het is namelijk niet zo dat iedere vorm van medebewind ook automatisch zegt: het moet en het zal op die manier plaatsvinden.

Minister Heerma:

Dit raakt natuurlijk ook de discussie over autonomie en de vrijheid die gemeenten en medeoverheden hebben om keuzes te maken. Maar de heer Van Hattem vraagt mij ook specifiek om bij de nadere uitwerking hier aandacht aan te besteden en dat wil ik hem toezeggen.

De heer Van der Goot — daar ben ik eigenlijk al deels op ingegaan — vroeg waarom het genereren van inzicht een inbreuk op de vrije besteedbaarheid is. In strikt juridische zin is het verzamelen van informatie over de uitgaven van gemeenten in medebewind niet in strijd met de gemeentelijke autonomie. Het is dus ook geen inbreuk op de vrije besteedbaarheid.

Waar ik en mijn voorgangers voor hebben willen waarschuwen en waar ik net al op in ben gegaan, is de dynamiek die er kan ontstaan in de discussie tussen kabinet en Kamer. Uit een diepgaander inzicht en overzicht kan immers blijken dat er sprake is van verschillen tussen gemeenten, en dat leidt al snel tot oordelen hierover en mogelijk tot een behoefte aan meer sturing. Zo werd ik vorige week woensdag in de Tweede Kamer door verschillende fracties heel kritisch bevraagd over allerlei lokale zaken en of individuele gemeenten daar al dan niet mee omgaan op een manier zoals wij zouden willen. Mijn voorganger heeft op dat risico gewezen. Van dat risico moeten wij ons nog steeds bewust zijn. Ik refereerde net aan een debat vorige week in de Tweede Kamer. Dat debat moeten wij overlaten aan gemeenteraden en Provinciale Staten.

Vanmiddag zijn we in het vorige debat vrij uitgebreid ingegaan op infra, ov en natuur, met name omdat die onderzoeken bij het IPO liggen. Mevrouw Moonen vroeg nog welke oplossing ik zie om achterstallig onderhoud van wegen aan te pakken. Zoals ik vanmiddag al heb gezegd, zie ik het als mijn rol om de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht bespreekbaar te maken. Waar het de infrastructuur van gemeenten betreft — dat heb ik in het vorige debat bij herhaling tegen de heer Van Hattem gezegd — zullen de minister van IenW en ik ervoor zorgen dat het besproken wordt, maar de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de minister van IenW.

Mevrouw Fiers stelde bijna een vraag over de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, maar leek 'm in haar eerste termijn weer in te slikken. Omwille van de tijd zou ik nu zeggen dat we die vraag uitgebreid besproken hebben in het vorige debat. Ik zie haar knikken dat mijn interpretatie over het inslikken van de vraag terecht is.

Naast de kritische reflecties in uw Kamer over de manier waarop we als kabinet zijn omgegaan met de ROB-adviezen en de motie-Fiers, zijn er ook kritische opmerkingen gemaakt over het proces van de verdeling van het gemeentefonds. Voor zowel het gemeentefonds als het provinciefonds geldt dat de verdeling van middelen continu om aandacht vraagt. Op dit moment wordt er dan ook gewerkt aan de herziening van de algemene uitkering van beide fondsen, waarbij de processen zich in een andere fase bevinden en ook verschillende processen zijn. Uw Kamer had in de volle breedte veel vragen over de herziening van het gemeentefonds. Laat ik ermee beginnen dat ik net als u betreur hoe het proces is verlopen. Ik had evenzo net als u graag verder willen zijn in het proces.

Mevrouw Moonen van D66 vraagt waarom ik tot bevriezing ben overgegaan. Reden dat ik op dit moment geen stappen in het verdeelmodel zet, is dat uit het onderzoek dat naar jeugd is gedaan, is gebleken dat het huidige model beter kan. Echter, de verschuiving in de verdeling van middelen tussen gemeenten is aanzienlijk. De ROB adviseert daarom op dit punt eerst nader onderzoek te doen. De VNG heeft zich bij dit advies aangesloten. Als fondsbeheerders hebben we op dit punt het advies van de ROB en de VNG overgenomen.

De bevindingen van het onderzoek om de verdeling van het cluster jeugd te verbeteren, die nu dus niet worden doorgevoerd, kennen een andere richting van herverdeeleffecten dan het huidige model. Oftewel, een aanpassing nu, die voor gemeenten kan betekenen dat men meer middelen ontvangt, kan over twee jaar mogelijk weer ongedaan gemaakt worden door nieuwe aanpassingen in het cluster jeugd. Reden voor ons als fondsbeheerder om nu tot bevriezing over te gaan, omdat het eerder tot meer onduidelijkheid en meer onzekerheid zou leiden dan tot duidelijkheid en zekerheid.

Mevrouw Moonen i (D66):

Dank, minister. Ik vind het een helder antwoord. De vraag die er alleen voor zit, is: waarom heeft u dan toch eerst die nieuwe verdeelsystematiek gemaakt om die daarna weer te bevriezen? Ik bedoel: had u het inzicht van wat de ROB en de VNG zeiden … Eerst maakte u er één. Die maakte u ook kenbaar. En nu wordt die weer bevroren. Dus ik …

Minister Heerma:

Misschien begrijp ik de vraag verkeerd, maar er zijn twee brieven geweest. Er is eind mei een brief geweest en ik heb voor de zuiverheid een aanvullende brief gestuurd met betrekking tot de indexatie binnen de bevriezing. Het is niet zo dat de brief van eind mei zei: we gaan niet bevriezen. Toen hebben we aangegeven — dat is bijna een voetnoot in het ROB-advies — dat er wel een indexatie zou plaatsvinden. De bevriezing was er dus ook eind mei. Ik heb overigens ook de opmerkingen uit de Kamer gehoord dat dit rijkelijk laat is. Die opmerkingen neem ik ter harte. Maar de bevriezing conform het ROB-advies was ook onderdeel van de brief van eind mei. Feit is alleen dat nadat de indexatie … Dit is echt een vrij technisch detail. Ik wil niet té diep de techniek in draaien, maar er zitten twee compensaties binnen het ingroeipad, die beide geïndexeerd kunnen worden. Wij hebben het ROB-advies toen geïnterpreteerd als dat een van de beide compensaties geïndexeerd moest worden. Na het sturen van de brief eind mei kwamen de reacties van verschillende gemeenten, waarvan een deel zei "wij lezen het ROB-advies ook zoals het kabinet dat doet" en een ander deel zei "wij lezen het andersom". Toen hebben wij er navraag over gedaan. De ROB zei toen — dit gaat dus niet over het volledige ingroeipad, maar slechts om een indexatie van een veel beperktere omvang — dat hij eigenlijk die andere bedoelde. Die zou qua indexatie dus juist de gemeentes benadelen die bevoordeeld werden door de indexatie zoals wij die interpreteerden, en andersom. Dan kom je in de afweging of je het handhaaft zoals het nu is, zoals de ROB het eigenlijk niet bedoeld heeft. Ga je dan zeggen "als we het gelezen hadden zoals het bedoeld was, zouden we het dan andersom gedaan hebben?", of is het gegeven de situatie nu het meest rechtvaardig om te zeggen "we geven eerlijk aan hoe het zit met de indexatie en we proberen daar zo snel mogelijk stappen in te zetten richting 2028"? Maar het gaat dus niet over de totale bevriezing. De bevriezing van het ingroeipad was conform het ROB-advies en het VNG-advies onderdeel van de brief van eind mei.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Nog even een verduidelijking over het feit dat er op de pauzeknop is gedrukt, even los van de indexering. Daar ging ook al een lang traject aan vooraf van overleg en ideeën over parameters en "hoe moeten we dit precies gaan doen?". We snappen natuurlijk allemaal de complexiteit op het moment dat je een koek die al te klein is, ook nog gaat herverdelen. Dat kan eigenlijk alleen maar misgaan. Maar de vraag is wel de volgende. U drukt op de pauzeknop na een lange periode waarin er overleg is geweest en geeft aan nu twee jaar nodig te hebben. Misschien was u het al van plan, maar kunt u toelichting geven op de vraag waarom dat twee jaar is? Kan dat niet sneller? Je zou zeggen: er ligt al heel erg veel en hiermee houden we gemeentes nog twee jaar in onzekerheid. Wat is de garantie dat we niet over twee jaar alsnog vlak voor de finish op de pauzeknop drukken?

Minister Heerma:

Dit is inderdaad onderdeel van de vragen zoals ze gesteld zijn in de eerste termijn. Daar kom ik in dit blokje op.

De voorzitter:

Meneer Lievense, ook nog héél even.

De heer Lievense (BBB):

Ja, het is iedere keer "heel even", maar het is belangrijk genoeg in ieder geval. In de voorbereiding had ik nog wat contact over de indexatie. Er leek eerst meer onduidelijkheid te zijn, maar dit is vakkundig opgelost. Ik kreeg vanuit diverse gremia terug — het is ook belangrijk om te noemen dat dit wordt teruggegeven — dat het vakmanschap om het op te lossen op het departement enorm goed is. Dit is heel technisch, zoals de minister ook al aangeeft. Ik vond het goed om terug te horen dat dat vakmanschap er is. Mij baart het volgende wel wat zorgen, en daar gaat mijn vraag aan de minister over. Er wordt altijd aangegeven dat het vakmanschap goed is, maar het komt vaak wat laat of onverwacht. Dat wil ik toch graag meegeven aan de minister. Nogmaals, er is niks mis met het vakmanschap op het departement.

Minister Heerma:

Even de verschillende lagen. Ik waardeer het compliment ook. Aan deze zeer complexe materie wordt keihard gewerkt. Ondanks dat wij in een tweede brief op een heel specifieke noot uit het ROB-advies moesten aangeven "dit zit net anders dan wij het interpreteerden", wat overigens ook voor een groot deel van de gemeentes gold, wordt er hard gewerkt en is het vakmanschap heel groot. Verder zei de heer Lievense wat hij volgens mij ook in zijn eerste termijn zei: het komt laat en het is onverwacht. Ik zou in dit specifieke geval, als het gaat over de bevriezing van het ingroeipad, willen aangeven dat ik als het gaat om "laat" de Kamer goed begrepen heb en dat ook herken. "Onverwacht" is misschien iets minder van toepassing, omdat zowel de ROB als de VNG beide heel duidelijk het advies gaven om dit te bevriezen. In dit specifieke geval zou ik zeggen: laat is iets meer aan de orde dan onverwacht. Tegelijkertijd zie ik de opmerkingen die hier breed door uw Kamer gemaakt worden ook als een aansporing om dit iets tijdiger te doen.

De vraag van mevrouw Fiers ging in op het vervolg van de beantwoording. Ik hoop daarin alle vragen voldoende te beantwoorden.

Mevrouw Moonen van D66 vraagt of ik niet het ROB-advies wil afwachten, maar proactief aan de slag wil gaan om met oplossingen te komen, zoals de VNG bepleit. Mevrouw Fiers van GroenLinks-PvdA en de heer Lievense van de BBB wijzen op de behoefte van gemeenten om snel duidelijkheid te krijgen. De heer Lievense van de BBB uit daarbij zorgen over de bestuurlijke betrouwbaarheid. Mevrouw Fiers vraagt of ik de urgentie van dit vraagstuk zie. Zowel mevrouw Fiers als de heer Lievense wijzen er hierbij terecht op dat gemeenten moeten kunnen plannen en investeren en verantwoordelijkheid moeten kunnen nemen. Ik ben het geheel eens met mevrouw Moonen, mevrouw Fiers en de heer Lievense dat duidelijkheid op korte termijn gewenst is. Dus ja, ik ga proactief aan de slag.

Ik zal nu ingaan op de specifieke vragen die betrekking hebben op het ingroeipad voor de jaren 2027 en 2028 en de gevolgen voor individuele gemeenten. Daarna zal ik ingaan op het proces van het vervolgtraject en het inrichten van het vervolgtraject.

De voorzitter:

Even voor mijn begrip, minister: we zijn nog in blokje twee, toch? Of zijn we al …

Minister Heerma:

Nee, dan ben ik onduidelijk geweest. Blokje twee ging echt over de balans. Blokje drie gaat over de verdeling van het fonds, dus we zitten in blokje drie.

De voorzitter:

We zitten nu in blokje drie. Dan wil ik voorstellen dat u nu die antwoorden afmaakt. Ik zit namelijk ook een beetje naar de klok te kijken. Als er aan het eind nog onduidelijkheden zijn, kunnen de leden naar de interruptiemicrofoon. Gaat uw gang.

Minister Heerma:

Ik doe mijn best, voorzitter. Het is voor mij altijd een uitdaging om én volledig én snel te zijn. Bij de keuze tussen beide kies ik vaak voor volledigheid. Ik weet dat dat voor de eindtijd van het debat niet altijd de beste optie is.

We hebben uw Kamer op 8 juni jongstleden geïnformeerd dat er is besloten om het ingroeipad te bevriezen, zoals in de brief van de 28ste ook al stond, maar dus ook af te zien van de specifieke indexatie zoals die in de brief van 28 mei nog werd aangehaald. We streven er als fondsbeheerder naar om met Prinsjesdag 2026 duidelijkheid te kunnen geven over de indexatie van het ingroeipad en daarmee dus ook over hoe die in dat geval eventueel zou worden geïndexeerd per 1 januari 2028.

Mevrouw Fiers vroeg naar de gevolgen voor individuele gemeentes en of ik voornemens ben om daar iets aan te doen. Er zijn zogenaamde voordeel- en nadeelgemeentes; daar werd in de eerste termijn ook naar verwezen. De richting van het ingroeipad is echter ongewis geworden. Daar ging de heer Van der Goot volgens mij in zijn inbreng heel uitgebreid op in. Bij de weging voor Prinsjesdag aangaande de indexatie van het ingroeipad voor 2028 en verder zullen we als fondsbeheerder het perspectief van de verschillende gemeentes meewegen.

De heer Janssen van de SP vraagt op welk kompas ik nu zelf ga varen. De heer Van der Goot vraagt om toe te zeggen dat de VNG in een vroeg stadium wordt betrokken. De heer Lievense van de BBB vraagt hoe ik ervoor ga zorgen dat het nu bij twee jaar blijft. Hij vraagt hoe ik ga borgen dat gemeenten tijdig en volledig worden geïnformeerd. Hij vraagt verder wat er nu verandert in de aansturing. Tot slot vraagt hij hoe ik wil omgaan met het feit dat de VNG kritisch is op het doorlopen proces en oproept om snel met een plan voor het vervolgtraject te beginnen.

Laat ik beginnen met benadrukken dat ik, net als de heer Janssen, hecht aan een heldere bestemming. Samen met de heer Lievense hecht ik aan een goed proces. Ik vind het van belang dat gemeenten tijdig en volledig worden geïnformeerd. Zoals ik in mijn brief van 28 mei jongstleden al heb aangegeven, betreur ik het dat het tijdpad aan het einde bijzonder krap was, te krap. Evenzo vind ik het zeer vervelend dat bleek dat ik moest terugkomen op het punt van de indexatie in de brief van begin juni. Ik deel ook geheel de aanbeveling van de VNG om een volgende keer in het bijzonder voor de cruciale laatste fase voldoende tijd te nemen.

Dan nu de inrichting van het vervolgtraject. Zoals zojuist gezegd: helderheid in het proces is van belang. We delen met u de urgentie om snel tot een vervolgtraject te komen en zullen u hier dan ook na de zomer over informeren. Als antwoord op de vraag van de heer Van der Goot: we zullen daar de VNG, conform de vraag die wordt gesteld, vroegtijdig bij betrekken en we maken gebruik van het aanbod van de VNG om gezamenlijk tot een ordentelijk proces te komen. Dat betreft tijdpad, rollen, verantwoordelijkheden en tussenproducten. Bij de inrichting van dit proces zal ik nauw contact hebben met de ROB om te voorkomen dat de door de ROB aangekondigde adviezen over de inrichting van het vervolgtraject om tot een beter verdeelmodel te komen, dadelijk haaks staan op de vervolgtrajecten zoals we die nu inrichten. Verder zal bij de inrichting van het vervolgtraject ook gebruik worden gemaakt van de reflecties van de leden van de expertgroep en de begeleidingscommissie op het doorlopen proces.

Meer in het bijzonder vraagt de heer Lievense wat ik in het vervolgtraject anders ga doen. Hoe ga ik zorgen dat we over twee jaar een stap verder zijn? Het grootste knelpunt in het huidige verdeelmodel zit bij het sociaal domein, in het bijzonder bij de jeugdzorg. Zoals ik in mijn brief van 28 mei jongstleden aangegeven heb, geldt voor het onderzoek in het sociaal domein dat wij dit als fondsbeheerders in het vervolgtraject samen met de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport als inhoudelijk verantwoordelijken met de VNG zullen oppakken. Daarom is die brief van 28 mei ook medeondertekend door de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. De oproep van de VNG om het cluster jeugd niet geïsoleerd te bezien, onderschrijven we van harte, omdat ook wij zien dat deze clusters met elkaar interacteren. De leefwereld van gemeentes is namelijk niet afgebakend in de financiële clusters van het verdeelmodel. Verder zal bij de inrichting van het onderzoek in het sociaal domein ook gekeken worden naar de eventuele samenhang met reeds lopende trajecten ten aanzien van de jeugdzorg en de Wmo 2015 om synergie en kennis te realiseren en de noodzakelijke inhoudelijke expertise te borgen, en voor de aansluiting op de trajecten die al lopen.

Verder vraagt u hoe ik de leefwereld bij het vervolgonderzoek ga betrekken. De heer Lievense vroeg, eigenlijk in lijn met zijn termijn in het eerste debat, ook om speciale aandacht voor de regio. Voor het vervolgtraject geldt dat we het als fondsbeheerder eens zijn met de ROB, te weten: de inhoudelijke onderbouwing moet komen van mensen die op het terrein werken, inhoudelijk en/of financieel, bij gemeenten, ministeries, kennisinstituten, belangenorganisaties en dergelijke. De betrokkenheid vanuit deze organisaties en de betrokkenheid van de ROB en de diverse groepen gemeentes zullen ook nadrukkelijk een punt van aandacht zijn bij de inrichting van het vervolgtraject.

Verder vraagt u wat ik doe met de uitkomsten van het onderzoek naar grootstedelijke kosten. Zoals eveneens in mijn brief van 28 mei is aangegeven, zal bij het vervolgonderzoek ook het onderzoek naar grootstedelijke kosten worden betrokken. Daarbij zal er aandacht voor zijn dat deze kosten mogelijk niet alleen voor grote steden spelen.

Tot slot. Mevrouw Fiers vroeg of het echt nodig is dat die twee jaar gebruikt worden en of het niet sneller kan. Zij deed dat zojuist ook bij de interruptiemicrofoon. Net als u allen zou ik de herverdeling, of onderdelen daarvan, heel graag al per 1 januari 2028 definitief maken, maar dit is niet realistisch. Ten eerste: de herverdeling bekijken we integraal. De diverse onderdelen van het verdeelstelsel hangen immers met elkaar samen. Als er nu specifieke onderdelen uit worden gepakt, leidt dit mogelijk een jaar later weer tot heel andere herverdelingseffecten, die de voorspelbaarheid verkleinen, en dus ook de onzekerheid voor gemeenten. In het belang van de stabiliteit en de voorspelbaarheid voor gemeenten bekijken we de vraagstukken daarom graag in samenhang. Daarnaast zijn wijzigingen per 1 januari 2028 helaas niet realistisch. Dit zou namelijk inhouden dat in april 2027 het onderzoekstraject voor onder andere de jeugdzorg, inclusief de adviesaanvraag van de ROB en de VNG, afgerond zou moeten zijn. Zelfs als het onderzoek naar de jeugdzorg voor de kerst van 2026 gereed zou zijn, waarvan het gezien de complexiteit van het vraagstuk maar zeer de vraag is of dit realistisch is, vraagt het voorstel ook nog om een zorgvuldige weging. Zoals de staatssecretaris van Financiën als medefondsbeheerder en ik in de brief van 28 mei hebben laten weten, betreuren we dat het tijdpad voor zorgvuldige weging dit keer zeer krap was. Daarom hebben we beterschap richting de toekomst beloofd. In dat kader zijn deze twee jaar nodig om te voorkomen dat we over een jaar constateren dat er weer hetzelfde is gebeurd als wat we nu met dit tijdpad hebben moeten constateren.

De voorzitter:

Bent u aan het eind van dit derde blokje?

Minister Heerma:

Ik heb volgens mij nog een tweetal vragen voor ik aan het eind van het blokje ben, dus die kan ik heel snel doen.

De voorzitter:

Maakt u die af. Dan komt daarna de interruptie van de heer Lievense.

Minister Heerma:

Tot slot. De staatssecretaris van Financiën en ik zullen uw Kamer tussentijds middels Kamerbrieven op de hoogte houden van de voortgang van de diverse onderzoeken. Zo kunt u als Kamer de vinger aan de pols houden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen: onderzoek blijft onderzoek. Of onderzoeken tot het gewenste resultaat leiden, kunnen we pas na afronding ervan met zekerheid bepalen. Het onderzoek dat in 2023 was opgestart, bleek in 2025, zoals mijn voorganger aan uw Kamer heeft laten weten, wel inzicht te geven maar onvoldoende handvaten te bieden voor een daadwerkelijke verbeterslag. Deze reflectie van de fondsbeheerders is destijds ook unaniem door de expertgroep gedeeld. De ROB geeft in zijn advies aan de gedachte waardevol te vinden. Nader onderzoek moet uitwijzen of het gaat lukken om deze ideeën te concretiseren in het verdeelmodel.

Dan de normeringssystematiek, als laatste in dit blokje. De heer Van der Goot heeft gevraagd om toe te zeggen de ROB om advies te vragen aangaande de normeringssystematiek, volgend op zijn beschouwing over de motie van vorig jaar en de brief die vanochtend nog is gekomen. Ik wil de heer Van der Goot in antwoord daarop toezeggen dat ik samen met de staatssecretaris van Financiën en in overleg met de ROB zal bekijken hoe de ROB op een passende manier betrokken kan worden bij dit vervolg.

De heer Lievense (BBB):

Ik moest het even tot me door laten dringen, dus dit gaat eigenlijk om de beantwoording van een paar vragen geleden. Het zat wel in dit blokje, voorzitter. De minister gaf over grootstedelijke kosten aan dat hij gaat kijken of dat breder uitgezet kan worden dan alleen grootstedelijk. We hebben het hier vorig jaar ook gehad over grootstedelijke uitdagingen; ik noem het geen "problematiek" maar "uitdagingen". We hebben het ook gehad over de regio. Daar hebben we andere uitdagingen. Hebben we het dan over hetzelfde? Begrijp ik goed dat deze minister gaat kijken of die bijzondere uitgaven breder kunnen worden? Utrecht heeft die volgens mij nu niet meer, maar Amsterdam krijgt bijvoorbeeld wel nog bijzondere uitgaven. Dat noemen ze dan wel "grootstedelijke problematiek". Ik noem dat "uitdagingen". Bedoelt de minister dat of bedoelt hij iets anders?

Minister Heerma:

In de eerste termijn is de vraag gesteld wat ik doe met de uitkomsten van het onderzoek naar grootstedelijke kosten, uitdagingen. Ik verwees ernaar dat ik in de brief van 28 mei jongstleden heb aangegeven dat bij het vervolgonderzoek, dat ik dus aankondig, ook het onderzoek naar grootstedelijke kosten betrokken zal worden en dat er daarbij aandacht voor zal zijn dat deze kosten mogelijk niet alleen spelen bij grote steden.

De heer Lievense (BBB):

Oké, dan heb ik het begrepen. Dan vind ik het een wat vage formulering. Dan wil ik vragen of, wat er ook komt uit de zin die de minister net uitsprak, er in ieder geval een passage aan gewijd wordt dat erover nagedacht is. Nu hoop ik natuurlijk dat eruit komt dat we het breder gaan bekijken dan alleen grote steden. Dat is de hoop die ik namens BBB uitspreek. Als dat niet zo is, zie ik graag de overweging waarom dat niet zo is.

Minister Heerma:

Ik heb geprobeerd aan te geven dat we hier serieus naar gaan kijken. Ik heb ook al aangegeven dat we de Kamer zullen informeren over de vervolgstappen. Als daar aanleiding toe is, zal ik de Kamer hierover informeren. Dan kan vervolgens bekeken worden of dat voldoet, maar we nemen het mee, conform het verzoek.

De heer Van der Goot (OPNL):

Ik heb even een vraag ter verduidelijking over de inflatiemotie. Is daar al een antwoord op gekomen of komt dat nog?

Minister Heerma:

Vanochtend is er een brief gestuurd. De normeringssystematiek valt natuurlijk in de eerste plaats onder de staatssecretaris van Financiën. Die heeft de brief ook gestuurd. Met de evaluatie proberen we invulling te geven aan wat in de motie werd gevraagd. De heer Van der Goot vroeg daarin specifiek of ik kon toezeggen de ROB daarbij te betrekken. Daarover is in de schorsing contact geweest met het ministerie van Financiën. Daaruit volgt de toezegging die ik gedaan heb. Bij de invulling van de uitwerking van de motie zal ik de ROB bij de evaluatie betrekken.

De heer Van der Goot (OPNL):

We hadden het niet zozeer over de normeringssystematiek, maar dat zat in het antwoord van de minister. Dank u wel.

De voorzitter:

U bent bij het blokje overig.

Minister Heerma:

Ik ben bij blokje 4. Tot mijn spijt komt daarna nog een blokje overig. Ik ben bij het financieel toezicht, reserves, onderuitputting en stelposten. Daar zijn nog wat vragen over gesteld. Deze mapjes, ter geruststelling van de voorzitter, zijn hele dunne mapjes vergeleken bij de blokken die we al gehad hebben.

"Er is grote behoefte aan rust, reinheid en regelmaat in het begrotingsproces. Graag een reactie van de minister hoe dit bereikt kan worden. Zijn er nieuwe, al dan niet tijdelijk aangepaste financiële spelregels voor te bedenken en is het mogelijk huidige spelregels aan te passen, zodat bijvoorbeeld algehele stelposten mogelijk worden gemaakt?" Dat was de vraag van mevrouw Fiers. Er zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet in het verbeteren van de begrotingsregels en het toezicht. Ten eerste is verduidelijkt dat het mogelijk is om stelposten op te nemen in de begroting voor specifieke baten en lasten die lastig te ramen zijn. Ten tweede zijn de mogelijkheden verruimd om reserves in te zetten voor structurele lasten. Daar zijn nu drie mogelijkheden voor. Ten derde ben ik in gesprek met de VNG en toezichthouders om ook risico's, vermogens, wendbaarheid en weerbaarheid meer te betrekken in het toezichtoordeel; dit in aanvulling op de norm van structureel en reëel evenwicht, SRE. Er is echter geen ruimte voor het opnemen van een algemene stelpost, maar er zijn dus de nodige stappen gezet die de mogelijkheden verruimen.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

"U bent in gesprek om"; is er ook een termijn waarin we horen wat de uitkomsten daarvan zijn? Waarom is er geen ruimte voor meer algemene stelposten?

Minister Heerma:

Op de eerste vraag, over de precieze termijn, kom ik in de tweede termijn terug. Dan de vraag over de algemene stelpost. Naast de verruimingen die ik al heb aangegeven, die vergroot zijn ten aanzien van …

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Specifieke stelposten.

Minister Heerma:

Van specifieke stelposten. Daarnaast is er de mogelijkheid om reserves in te zetten voor structurele lasten. Op basis van de Gemeentewet en de Provinciewet is het aan de gemeente respectievelijk de provincie om reëel te ramen bij het opstellen van de begroting. Een algemene stelpost staat hiermee op gespannen voet en ontneemt het zicht op realistisch begroten. Daarnaast maakt een algemene stelpost het voor toezichthouders ondoenlijk om goed te controleren of er structureel en reëel evenwicht is. Ook gemeenteraadsleden en Statenleden krijgen dan geen goed beeld of er een reële begroting ligt. Het is dan ook niet wenselijk de regelgeving en/of het stelsel hierop aan te passen.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Dat heeft de minister goed voorgelezen, dus dat zal vast kloppen. Maar we leven volgens mij in bijzondere tijden, waarin gemeentes begrotingen sluitend moeten zien te krijgen met een enorm jojoverhaal. Dan is toch even de vraag hoe creatief we dan met elkaar zijn om in ieder geval tijdelijk problemen op te lossen voor gemeenten. Ik hoor heel nadrukkelijk de roep vanuit gemeentes om daar in deze tijd wat flexibeler mee om te gaan. Ik zou de minister dus toch daartoe willen oproepen. Volgens mij hebben we hier vandaag met elkaar gedeeld dat er een groot probleem ligt bij gemeentes om in deze fase sluitende begrotingen in te leveren. Als ze dat doen schuiven ze, zoals mevrouw Moonen zei, dingen vooruit of zoeken ze andere manieren. De vraag is dus wat het Rijk kan doen, desnoods door tijdelijk de regels aan te passen, om dat wel voor elkaar te krijgen. Ik zou dus graag iets meer van de minister willen zien dat hij ruimte zoekt om in oplossingen te denken in plaats van hem een redelijk technisch antwoord voor te horen lezen.

Minister Heerma:

Ik zal mijn best doen om niet te veel voor te lezen, maar de complexiteit van de vragen noopt mij ook als minister die er een aantal maanden zit om dat soms wel te doen. Ik wil ook specifiek zijn in mijn beantwoording. In het eerste deel van mijn antwoord heb ik geprobeerd aan te geven dat de flexibiliteit al is vergroot. Die is onder andere vergroot door te verduidelijken hoe stelposten kunnen worden opgenomen in de begroting. Dat wordt ook aanvaard als iets wat meer ruimte geeft.

Het tweede is dat de mogelijkheden verruimd zijn om reserves in te zetten voor structurele lasten. Dat zijn stappen die gezet zijn juist indachtig wat mevrouw Fiers schetst. Tegelijkertijd gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat als het gaat om een algemene stelpost waar specifieke vraag naar is, ik nog een keer kan voorlezen wat ik zojuist heb voorgelezen, maar dat wordt om die reden niet verstandig geacht. Die specifieke stap zijn we dus niet voornemens te gaan zetten. Maar dat staat los van het feit dat de flexibiliteit, indachtig wat mevrouw Fiers zegt, juist op een aantal punten al is vergroot.

Het derde punt betreft de termijn waarop ik kan terugkomen op dat gesprek. Daarop kom ik in tweede termijn terug. Dat was het derde punt.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Zou de minister daarover nog eens in conclaaf kunnen en de vraag schriftelijk kunnen beantwoorden? In het eerste antwoord meende ik te horen dat het volgens de wet niet mag. In het tweede antwoord zei u dat het onverstandig is om het te doen. Het derde punt is dat ik de afgelopen periode als formateur in Eindhoven daarover verschillende signalen heb gehoord. Provincies gaan verschillend om met het wel of niet omgaan met stelposten. Dit zou kunnen betekenen dat er misschien meer ruimte zit. Ik ben even op zoek of de minister daarop in een brief wat toelichting zou kunnen geven.

Minister Heerma:

Ik zou dan toch een paar dingen willen scheiden. Er is meer ruimte om gebruik te maken van stelposten. Ik hoor van mevrouw Fiers dat de beleving is dat daar verschillend mee wordt omgegaan. Ik wil best kijken hoe ik hierop in een brief nog een keer kan terugkomen. Dat staat los van het feit dat de specifieke vraag om een algemene stelpost daar niet onder valt. Indachtig de reden die ik aangeef, ben ik daar geen voorstander van, ook niet van het daarop aanpassen van de wet- en regelgeving. Het verhoudt zich slecht tot de taak van realistisch begroten.

Misschien nog in aanvulling daarop, om te voorkomen dat we voor alles apart een brief sturen. Na de zomer komt er een brief over toezicht, waarin ik specifiek op de stelposten kan terugkomen. Dan besparen we een extra brief.

De heer Janssen van de SP haalde aan "generiek korten op gemeenschappelijke regeling zonder gevolgen voor de uitvoering" in beeld te hebben. Gemeenschappelijke regelingen worden gezien als iets op afstand. Herkent de minister dit fenomeen en deelt hij de zorg dat de uitvoering verder onder druk zou kunnen komen te staan? Ik herken het fenomeen van generiek korten op gemeenschappelijke regelingen niet. Bij BZK wordt financieel toezicht uitgevoerd op provincies en de gemeenschappelijke regelingen waaraan zij deelnemen. Voor de begroting van 2026 kon voor alle gemeenschappelijke regelingen worden volstaan met de lichte vorm van de repressieve toezichtvorm "toezicht achteraf". Hun financiële positie is stabiel te noemen. Wel neem ik de zorgen serieus die worden uitgesproken over de druk op de uitvoering bij gemeenschappelijke regelingen en blijf ik alert op concrete signalen die dit raken.

De heer Janssen (SP):

Dat het financieel rondloopt in die gemeenschappelijke regelingen, dat snap ik. Het punt is echter dat bij die generieke kortingen alleen het financiële rondlopen als doel vooropstaat en niet de gevolgen daarvan voor de uitvoering. Het ministerie van Binnenlandse Zaken kijkt of het financieel klopt en dus is repressief prima, want het loopt financieel allemaal rond. Maar dat zegt niets over de kwaliteit van de uitvoering. Mijn vraag is of dat kwalitatieve aspect op de een of andere manier in gesprekken of anderszins meegenomen kan worden, want nu telt alleen het kwantitatieve financiële resultaat en niet de kwaliteit die eronder ligt.

Minister Heerma:

De heer Janssen had het in zijn termijn over het gemak waarmee er gekort zou kunnen worden op gemeenschappelijke regelingen. Hij had zorg dat dit te makkelijk gedaan wordt. Ik heb aangegeven dat ik dat niet herken. De vraag die hij nu stelt, is een andere vraag. Namelijk, kan er naast financieel ook kwalitatief naar gekeken worden? Ik zou willen vragen of ik daar in tweede termijn op terug kan komen.

Ik ben nu bij het laatste blokje. Dat is nog een drietal vragen. De eerste is van de heer Van Hattem. Die vraag deed mij denken aan de behandeling van een wetsvoorstel in de Tweede Kamer. In de Eerste Kamer ligt het volgens mij op korte termijn voor. We hebben de schriftelijke beantwoording afgelopen vrijdag naar uw Kamer toegestuurd. Het gaat over gemeentelijke herindeling. Ik bouw de spanning bij de heer Van Hattem op, zie ik aan zijn gezicht.

De heer Van Hattem refereerde eraan dat gemeentelijke herindeling een oplossing zou zijn in geval van kleine gemeentes. Hij vroeg of ik dat als minister erken. Ik ken de discussies over gemeentelijke herindeling. Onlangs had ik die discussie in de Tweede Kamer. Over de herindeling van Wijdemeren en Hilversum ga ik waarschijnlijk ook snel met uw Kamer spreken. In de Tweede Kamer heb ik al aangegeven dat ik goed ga kijken naar het wettelijk kader en het beleidskader. Ik wil echter niet zonder meer meegaan in de aanname dat louter financiële overwegingen de doorslag geven bij herindelingen. Ook andere zaken spelen een rol in deze lokale afwegingen bij herindelingen die van onderop komen.

De heer Van Hattem stelde ook de vraag …

De voorzitter:

Meneer Van Hattem, ik wil voorstellen om eerst de drie vragen van dit blokje te laten beantwoorden. Aan het eind verzamel ik alle vragen.

De heer Van Hattem (PVV):

Dit is geen interruptie, maar een kleine rechtzetting. Ik heb namelijk niet aangegeven dat ik het zie als een oplossing, maar juist dat het vaak als een oplossing wordt gezien. Ik wil graag dat mijn woorden correct worden weergegeven. Dat is het enige.

De voorzitter:

Rechtgezet.

Minister Heerma:

Als ik u onrecht aandeed in mijn bewoordingen …

De voorzitter:

U kunt verdergaan, minister.

Minister Heerma:

Ik wilde niet suggereren dat de heer Van Hattem dat gezegd heeft. Als dat zo is overgekomen, is het goed dat dit rechtgezet is.

De heer Van Hattem had het ook over het risico dat gemeentes nog meer beleidsambtenaren in dienst nemen. Dat was onderdeel van zijn betoog. Het aannemen van een ambtenaar is bij uitstek iets waarover op lokaal niveau keuzes worden gemaakt. Dit valt binnen de gemeentelijke autonomie. Ik hoef dit waarschijnlijk niet uit te leggen, maar toch. De belangrijkste keuzes worden door de gemeenteraad gemaakt, de gekozen volksvertegenwoordiger dus. Het college voert het beleid uit en neemt de ambtenaren aan. Het college legt daarover verantwoording af aan de raad en het is uiteraard niet aan mij om gemeentebesturen hierop aan te spreken. Het is ook niet aan mij om op dit soort zaken een reflectie te geven. Dit gaat weer terug naar het begin van het debat en de twee kanten die er zijn bij het vraagstuk rondom meer inzicht in de medebewindtaken.

De heer Janssen van de SP hield een betoog over gemeenten en gemeenschappen en over het grote risico dat bezuinigingen een aanslag vormen op sociale cohesie. Ik onderschrijf met de heer Janssen het belang van lokale voorzieningen. Het is inderdaad van essentieel belang voor de sociale cohesie. Het is het cement tussen de bakstenen, waarover de heer Janssen het in zijn termijn had. Ik hoop dat mijn inzet voor meer inzicht en overzicht in medebewindtaken en de bekostiging laten zien dat ik me nadrukkelijk inspan om gemeenten in staat te stellen de lokale voorzieningen in stand te houden. Welke keuzes gemeentes zelf precies maken en waarom, blijft aan hen. Maar dit is mijn inzet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we nu toe aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik geef het woord aan mevrouw Fiers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Fiers i (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Het kan kort. Ik heb deze tweede termijn niet met mijn CDA-collega Van Toorenburg kunnen afstemmen. Het is op hoop van zegen, maar haar kennende denk ik wel dat zij mijn herhaalde oproep voor urgentie zal delen. Ik wil nog even tot een samenvatting komen.

Ik denk dat het belangrijk is dat wij een duidelijk signaal hebben afgegeven dat het belangrijk is om inzicht te krijgen in de medebewindtaken en de financiën die daarbij horen. Ik heb de minister goed gehoord dat hij daar serieus werk van gaat maken en dat we daar twee belangrijke fases voor hebben. De eerste fase geeft inzicht en de tweede overzicht. Daarna is het aan deze Kamer om te beoordelen of we voldoende bouwstenen hebben om de volgende keer de begroting te kunnen goedkeuren op basis van voldoende informatie.

Ik heb ook gehoord dat de minister zijn best gaat doen om dat voor de volgende keer in de Kamer te hebben. Dat is belangrijk, omdat mijn vermoeden is dat we er dan ook nog een debat over kunnen hebben voordat de begroting hier ligt, zodat we daar de visie van deze Kamer op kunnen geven. Ik zou dus de minister vooral willen oproepen om dat tempo aan te houden, zodat we de gelegenheid hebben om er een goed debat over te hebben. Voor mij is wel de winstwaarschuwing: een keer is het geduld op. Met andere woorden: de volgende keer hier staan om weer hetzelfde debat te hebben, wil ik niet nog een keer meemaken. Nu is het sowieso de vraag of ik dat ga meemaken, maar ik denk dat mijn opmerking ook geldt voor de opvolgers.

De heer Lievense i (BBB):

Dit was niet alleen met de collega van het CDA niet besproken, maar ook niet met de collega van BBB, die vandaag wat korte vragen had. Doelt u dan op een beleidsdebat?

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat het verstandig is om, op het moment dat we de eerste en de tweede brief hebben gekregen, misschien eerst wat schriftelijke vragen te stellen om technisch inzicht te krijgen in wat er staat. Maar ik kan me indenken dat we daarna een beleidsdebat voeren, voor het begrotingsdebat.

Mevrouw Moonen i (D66):

Ik wil deze oproep van mevrouw Fiers graag steunen. Ik steun ook dat we die overzichten hebben ontvangen voor de begroting. Dan heeft het betekenis.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Ja.

Mevrouw Moonen (D66):

Dan heeft het betekenis.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Dan heeft het betekenis. Anders staan we hier de volgende keer toch weer met een goedbedoelende minister, bij wie het niet is gelukt.

De voorzitter:

Eén kleine winstwaarschuwing: er moet wel ruimte zijn in de agenda. Dit zal zo'n beetje voor december moeten gebeuren. Ik heb wel gemerkt dat het best druk wordt. Dus ik doe echt een beroep op u als commissie om daar rekening mee te houden in de plenaire agenda.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Dan komen wij daar toch allemaal extra voor terug?

De voorzitter:

Daar komt u wel uit. Mag ik u bedanken, mevrouw Fiers? Was u al klaar?

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Ja.

De voorzitter:

Dan geef ik graag het woord aan de heer Lievense van BBB.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Lievense i (BBB):

Voorzitter, dank u wel. Het is een beetje balanceren. We zijn een jaar onderweg, of iets langer dan een jaar. In dat jaar hebben we, zoals ik al aangaf, meerdere ministers gekregen. Maar er is altijd een regering en er is altijd een minister, wie dat ook is. Zo simpel is dat. Onder een regering vallen departementen. De sturing van die departementen is al meer dan anderhalf jaar een politieke sturing vanuit onder andere deze Kamer. Overigens hoor ik ook van de overkant, vanuit de Tweede Kamer, in dezelfde toonzetting enige politieke sturing. Alleen gaan wij als laatste over de Begrotingsstaat gemeentefonds. Als die hier weggestemd zou worden, zou dat een blamage zijn voor ons bestel. Maar dat heb ik al eerder gezegd.

Dan het idee van mevrouw Fiers. Grote complimenten voor mevrouw Fiers dat ze dit zo bedacht heeft. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we over een jaar niet met onze mond vol tanden staan? Wij steunen dat beleidsdebat. Ik denk dat het goed is dat we er morgen meteen over doorpraten wanneer dat debat ongeveer zou moeten plaatsvinden en dat we dat dan meteen in onze agenda's vastleggen.

Ik wijs de minister erop dat er naast die politieke sturing natuurlijk altijd ook gewoon bestuurlijke sturing is geweest, ook op het departement. Dat weet ik zeker, want ik weet hoe het werkt in dat soort zaken. Dat zal nu ook plaatsvinden.

Ik wil ook niet zeggen dat er niets gebeurd is in het afgelopen jaar. Ik wil in mijn tweede termijn toch uitgesproken hebben dat er echt pogingen zijn gedaan. We zijn met elkaar onderweg geweest en we hebben technische briefings gehad. Het is een zoektocht. Je bent tien jaar met elkaar over iets aan het praten, en ineens wordt dat zo opgepakt. Daar hebben we met elkaar even tijd voor nodig. Maar de tijd dringt. Mijn fractie is het eens met mevrouw Fiers van GroenLinks-PvdA — of was het de beweging PRO? — om daar nu de stekker in te steken.

Ik heb er vertrouwen in, mijn fractie heeft er vertrouwen in, dat de minister weer nieuwe documenten gaat leveren. Wij wensen hem en de organisatie daar veel succes bij.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Janssen van de fractie van de SP. Hij spreekt mede namens de Fractie Visseren-Hamakers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Janssen i (SP):

Voorzitter. Op 5 juni mocht ik hier jongeren met een beperking toespreken, die hier kwamen voor een Prokkelstage. Zij hebben hier een dag stagegelopen. Een van de dingen die zij zeiden was: jullie gebruiken zo veel moeilijke woorden. Mijn bingokaart bestuurlijke termen was vanavond alweer vol. Misschien is dit niet het debat om op B1-niveau te voeren, maar ik wil het toch even genoemd hebben, want ik zag de minister ook af en toe kijken met een blik van: heb ik dit echt voorgelezen? Ja, u heeft dit echt voorgelezen.

Voorzitter. Wat onze fracties betreft wordt het tijd dat het ministerie van Binnenlandse Zaken weer het moederministerie wordt. Dat was ooit zo, als hoeder van de democratie en de bestuurlijke verhoudingen. Dat is in de loop der jaren verschoven naar het ministerie van Financiën. Volgens onze fracties wordt het hoog tijd dat we de inhoud weer leidend gaan maken. Ik vraag aan de minister of "de inhoud is leidend" zijn inzet zal zijn bij de gesprekken die hij bij de medeoverheden gaat voeren.

Ik vraag het kabinet ook om zelf scherper na te denken over de vraag of medebewind echt nodig is. "Tot het medebewind roepen" vind ik echt een eufemisme, want het is gewoon medebewind opleggen. Ik weet uit ervaring dat veel medeoverheden dan geen nee durven te zeggen, omdat er nog andere dossiers zijn die ze niet willen mislopen. Het is mijn vraag aan de minister om daar zorgvuldig naar te kijken en om die angst bij medeoverheden weg te nemen. We zien vaker dat uiteindelijk de eenvoudigste manier van bezuinigen toch is om het een ander te laten doen voor minder geld. Dat mag toch niet het doel zijn van medebewind, wil ik vragen aan de minister.

Voorzitter. De zorgen van de SP en de Fractie-Visseren-Hamakers zijn niet weggenomen wat betreft de vraag wat dit uitstel voor gemeentelijke begrotingen gaat betekenen als het gaat om de meest in de vuurlijn liggende doelen van bezuinigingen, die ik zelf al genoemd heb, wegens voldoende zicht op de toekomst. De minister zei "ze gaan er zelf over", maar als ze de lange termijn niet in beeld hebben, kiezen ze op de korte termijn misschien juist voor de bezuinigen aan de zachte kant die grote gevolgen kunnen hebben voor de sociale cohesie, zowel voor de gemeente als voor de gemeenschap. Daar wil ik nogmaals aandacht voor vragen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van der Goot. Hij spreekt mede namens de fracties van de Partij voor de Dieren en Volt.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van der Goot i (OPNL):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb dit niet helemaal kunnen terugkoppelen met de andere twee fracties, maar ik neem aan dat ik wel in hun geest spreek.

Allereest dank aan de minister voor de antwoorden. De toon is prettiger dan die in de brief die we aan het begin van dit jaar hebben ontvangen. We gaan uit van dat vertrouwen. Dat vertrouwen laat zich zien, dat komt. Vertrouwen vertrekt te paard en wordt langzaam opgebouwd, maar we hebben goede hoop.

Over de verkenning is veel gesproken. De mogelijkheid voor een beleidsdebat voor de begrotingsbehandeling steun ik graag. Ik denk zelfs dat onze fracties die graag steunen.

Onze fracties geven de minister de ruimte om de woorden om te zetten in daden. We proeven dat die behoefte en die wens er ook bij de minister zijn. We gaan het zien. Ik heb er hoop op, een zeker vertrouwen in en een zekere verwachting van.

Dan de motie over de inflatiecorrectie. Ik ben blij dat die refereert aan de brief die vanmorgen is gekomen van de staatssecretaris van Financiën. Ik zei in de eerste termijn dat die brief van de minister van Financiën was, maar dat was natuurlijk niet terecht. Ik denk dat ik dat mede namens u zeg. Ik hoop op dit punt een verduidelijking van de minister te krijgen. Begrijp ik goed dat de minister de ROB hierover afzonderlijk om advies wil vragen, samen met de staatssecretaris van Financiën? Dan kan er specifiek naar dit vraagstuk worden gekeken en dan gaat het niet op in een bredere evaluatie. Bij de aanvang kan dat wat ons betreft parallel lopen, maar onze motie vraagt om een praktische en spoedige uitvoering. Indien de minister kan bevestigen dat hij zijn toezegging op deze wijze invult, zou dat onze fracties zeer tevreden stellen.

Voorzitter, tot slot. We hebben veel gesproken over medebewindstaken, het verdeelmodel, de inflatiecorrectie en de disbalans tussen taken en middelen. Ik wil aan het eind de minister meegeven dat er bij de gemeente nog altijd grote zorgen bestaan, zeker vanaf het jaar 2028. Onze fracties hopen en verwachten dat deze minister zich ervoor zal inzetten om gemeenten ook dan een structurele stip op de horizon te bieden. De gemeente is de eerste overheid en onze burgers moeten dat kunnen blijven ervaren.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Dessing van de fractie van Forum voor Democratie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dessing i (FVD):

Voorzitter, dank u wel. Wat is de afdronk van dit debat voor mij? Supertechnocratisch, lastig om te volgen, maar vooral: Groundhog Day. Want ja, het is inderdaad een herhaling van zetten van vorig jaar. En ja, ik ben het met de andere sprekers eens dat als we niet oppassen, we dan volgend jaar exact hetzelfde debat hebben.

Er is nog geen begin van een overzicht van financiële rechtmatigheid binnen de problematiek die wij vorig jaar al constateerden. Ik hoor de minister een heleboel intenties uitspreken c.q. voorlezen. We zullen, we zullen, we gaan, we hebben de intentie om … Maar daar kopen we natuurlijk niks voor. Ik zou eigenlijk graag een reflectie willen vanuit het hart, want ik mis in dit technocratische debat de gevolgen voor de burgers door de stapeling van maatregelen van het Rijk en ook de stapeling van taakstelling die bij de gemeentes wordt neergelegd.

Ik mis de compassie voor wat dat doet met de burger van de gemeente. Daar zouden wij in dit huis toch echt meer oog voor moeten hebben. Is de minister het dus met mij eens dat de structurele oplossing niet is, het zoeken naar het verminderen van de taakstelling vanuit het Rijk om de gemeentes en eigenlijk ook de provincies te ontlasten? Dat is mijn oproep en graag een eerlijke reflectie van de minister.

Dank u wel.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ik heb toch een vraag aan de heer Dessing van FVD. Ik hoor hem spreken over de financiële rechtmatigheid. We hebben het over de begroting van het gemeentefonds. Zitten er onrechtmatigheden in het gemeentefonds, in de uitvoering? We hebben een discussie over hoe zaken verdeeld worden, maar staat de rechtmatigheid ook ter discussie? Als dat zo is, ben ik wel heel benieuwd welke bevindingen hij hierover heeft.

De heer Dessing (FVD):

Waar ik meer op doel, is het feit dat van de stapeling van taakstelling en de uitbreiding van taakstelling de reflex vandaan komt van het vragen van meer geld. Gemeentes kijken niet zozeer naar wat ze doen in het reduceren van taken die misschien niet nodig zijn en het zorgvuldig besteden van het geld aan de zaken waar ze echt voor aan de lat staan, namelijk dat de straten schoon zijn, dat de infrastructuur op orde is en dat de politie in de steden haar werk goed kan doen in plaats van allerlei andere zaken.

De heer Van Hattem (PVV):

Dan hebben we het eigenlijk gewoon over de doelmatigheid. Dat is een beetje de andere kant van de medaille. Gemeentes hebben vanuit de Gemeentewet ook mogelijkheden om daar onderzoek naar te laten doen. Is de heer Dessing het met me eens dat het nuttig kan zijn als decentrale overheden vaker van dat instrument gebruik maken om onderzoek te laten doen naar rechtmatigheid en doelmatigheid? Het is goed dat lokale volksvertegenwoordigers ook daadwerkelijk inzicht krijgen en scherper kunnen sturen op deze dossiers, zodat deze taken ook gewoon beter in beeld komen en of ze goed worden uitgevoerd op een doelmatige manier.

De heer Dessing (FVD):

Ik denk dat de heer Van Hattem daar de spijker op zijn kop slaat. Juist het inzicht voor met name de gemeenteraadsleden over welke knoppen ze als raadslid tot hun beschikking hebben en hoe ze eraan kunnen draaien om te zorgen dat er echt kan worden gekeken naar het goed en adequaat besteden van de financiële middelen die er zijn, kan een oplossing zijn voor de problematiek die we hier met elkaar hebben benoemd, denk ik, ja.

De voorzitter:

Ik constateer dat u het met elkaar eens bent.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik denk dat inderdaad de artikel 217a onderzoeken beter en nuttiger kunnen worden ingezet in het Nederlandse publieke domein.

De voorzitter:

Mooi. Dan bent u aan de beurt, meneer Van Hattem, voor uw inbreng in de tweede termijn.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem i (PVV):

Dank, voorzitter. Misschien om op dat laatste punt nog even door te gaan: is de minister misschien bereid om de bekendheid van de mogelijkheid van artikel 217a onderzoeken bij decentrale overheden beter onder de aandacht te brengen, zodat volksvertegenwoordigers daar gebruik van kunnen maken?

Dan kom ik op een aantal andere punten. Om een term te gebruiken die in de Tweede Kamer voorheen is gebruikt "is het parlement een leeuw of een lam?" Ik heb bij dit debat gemerkt dat wij wel hebben laten zien dat wij in deze Kamer niet als makke lammetjes een motie en een onderzoek van de ROB naast ons neer laten leggen of voor kennisgeving aannemen. We willen wel duidelijkheid hebben. Wat de PVV-fractie betreft, blijven we ook als een leeuw vechten en gaan we hier niet als makke lammetjes afwachten of er iets gebeurt. We willen gewoon duidelijke, concrete verhalen hebben. Ik vraag de minister dan ook nadrukkelijk om niet in algemene termen over het gesprek, over balans en over disbalans, te blijven hangen maar met een heldere monitoring te komen, waaruit duidelijk wordt op welke basis er medebewind ligt en op welke basis niet, zodat we het gesprek daarover duidelijk kunnen aangaan en voor iedereen ook duidelijk is waar het om gaat.

Dan hoorde ik de minister erover spreken dat het aannemen van ambtenaren binnen de lokale autonomie ligt en dat het niet aan de minister is om gemeentes hierop aan te spreken. Daar heeft hij op zich helemaal gelijk in, maar dat was niet de vraag. Het gaat erom dat gemeenten zich naar eigen zeggen vaak genoodzaakt voelen om vanwege medebewindstaken extra ambtenaren aan te nemen, bijvoorbeeld voor de uitvoering van de SPUK's et cetera. Dat wordt dan als argument aangevoerd. Ik hoor er graag een reflectie op dat daarmee die lokale druk juist veel groter wordt.

Nu we het toch hebben over lokale autonomie: ik hoor hier veel sprekers en ook de minister terecht aanhalen dat lokale autonomie belangrijk is, maar dan moeten we gemeentes ook niet gaan dwingen en de gemeentes ook niet het mes op de keel zetten door middel van de Spreidingswet. Dan moeten we ook op dat vlak de lokale autonomie respecteren. Hetzelfde geldt voor de RES'en en al die windparken en dat soort zaken. Respecteer dan ook echt daadwerkelijk de lokale autonomie en niet alleen op financieel vlak.

In de eerste termijn is de minister ook niet ingegaan op mijn punt over de modelparameters, die een perverseprikkeleffect opleveren zoals middelen voor asielzoekers en migranten, die als specifieke parameter benoemd worden. Kan de minister er alsnog op reflecteren dat gemeenten via die maatstaven beleid voeren om hun inkomsten te optimaliseren?

Dan dank ik de minister nog voor de toezegging om de juridische grondslagen mee te nemen in het verdere overzicht. Op het punt van de herindeling ben ik het met de minister eens dat er niet alleen naar de financiële aspecten moet worden gekeken. We moeten juist heel kritisch kijken of een herindeling wel nodig is en of die voor extra efficiënt beleid zorgt.

Tot slot was er volgens mij nog een punt waar de minister in tweede termijn op zou terugkomen, maar ik ben even kwijt welk punt dat was. Dat is me ontschoten. Als het dan passeert, komen we er op een later moment wel over te spreken.

Ik dank u voor dit debat en wij zien uit naar de tweede termijn van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel.

Wenst een van de leden in tweede termijn nog het woord? Dat is niet het geval. De minister zegt tien minuten nodig te hebben voor de voorbereiding van de beantwoording. Dan gaan we om 22.45 uur, maar het liefst iets eerder, weer verder.

De vergadering wordt van 22.36 uur tot 22.43 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en ik geef het woord aan de minister voor zijn beantwoording in de tweede termijn.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Heerma i:

De heer Van Hattem vroeg of de minister een totaaloverzicht kan geven van alle wettelijke taken of medebewindtaken van gemeenten, inclusief wettelijke grondslagen. In het overzicht dat ik zal gaan bieden, zal ik dit element nadrukkelijk betrekken. De brief over het onderzoek naar overzicht gaat hierop in. Ik wil me daarbij focussen op de belangrijkste zaken en daarbij de gehele breedte van het gemeentelijk en provinciaal takenpakket betrekken, dus alle domeinen die vandaag aan de orde zijn gesteld. Mijn indruk is op dit moment niet dat het uw Kamer om allerlei kleinere wetten gaat. Ook de ROB lijkt daar de nadruk niet op te leggen.

Dan vroeg de heer Janssen van de SP naar het kwalitatieve punt van het werk van gemeenschappelijke regelingen. Bij generieke korting komt de begroting misschien wel rond, maar lijdt de kwaliteit er volgens hem onder. Zoals ik eerder benoemde, neem ik de zorgen die worden uitgesproken over de druk op de uitvoering bij gemeenschappelijke regelingen serieus. De rol die ik heb als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is financieel toezicht houden en interbestuurlijk toezicht in het geval van taakverwaarlozing. Als het gaat om kwalitatieve zorg in algemene zin is dat in de eerste plaats aan de deelnemers van de gemeenschappelijke regelingen en hun lokale volksvertegenwoordigers, de Provinciale Staten en gemeenteraden. Desalniettemin zou ik willen toezeggen om in de brief over toezicht, waar ik in de eerste termijn al aan gerefereerd heb, ook hier aandacht aan te besteden.

De heer Janssen i (SP):

Ik wil het even wat preciezer maken. "Kosten, baten, prima, mooi, evenwicht, allemaal repressief, niks aan de hand", maar waar het om gaat is dat er grote zorgen zijn wanneer sommige gemeenten in een gemeenschappelijke regeling of allemaal generiek gaan korten. Daar lijdt de kwaliteit onder. Op een gegeven moment kun je je taken niet meer uitvoeren. De vraag bij dat toezicht is als volgt. Dit gaat alleen al om die gemeenschappelijke regelingen waar de provincie deelnemer in is. Anders gaat de provincie er namelijk zelf over, bij alleen gemeentelijke gemeenschappelijke regelingen. Het gaat erom om juist bij deze gewoon een keer door te vragen bij de controle van de begrotingen — dat kan misschien als thema in een jaar — en te zeggen: goh, dit zien we bij uw gemeenschappelijke regelingen; hoe gaat het in die gemeenschappelijke regelingen, heeft u nog last van kortingen gehad en leidt dat nog ergens tot kwaliteitsproblemen of anderszins? Laat ik het als volgt zeggen. Het kan een aandachtspunt zijn om mee te nemen dat het bij de controles ook eens een keer een spade dieper gaat en er gevraagd wordt: heeft dit nou nog ergens toe geleid in die gemeenschappelijke regelingen? Ik vind het prima als de minister het in een brief zet, maar eigenlijk vraag ik het hem nu. Dit probleem speelt namelijk al heel erg lang. In mijn tijd speelde het al en dat is echt al tien jaar geleden.

Minister Heerma:

Ik wil de heer Janssen dit toezeggen.

De heer Janssen (SP):

Dank.

De voorzitter:

"De spade dieper" komt er. Gaat u verder, minister.

Minister Heerma:

Wellicht is het dan een combinatie van toezeggingen. Ik zal er in die brief over toezicht op terugkomen. Hoewel "een keer" natuurlijk vrij breed is. Volgens mij bedoelde de heer Janssen het niet zo breed.

De heer Janssen vroeg mij ook specifiek of de inhoud leidend is. Ja, de inhoud is leidend. Daarom kom ik snel met een beleidskader, juist om die inhoud centraal te stellen. Decentraliseren, medebewind opdragen aan gemeenten en provincies, moet je niet doen om te bezuinigen. Dat moet je doen als de taak het beste past bij gemeenten, omdat zij de uitvoering kunnen aanpassen aan lokale wensen en omstandigheden of om andere inhoudelijke redenen.

De heer Van der Goot deed in zijn tweede termijn het verzoek of ik de toezegging zoals ik die gedaan had, zou kunnen verbreden naar iets wat ik in de eerste termijn niet gezegd heb en gaf aan dat hij heel tevreden zou zijn als ik dat zou doen. Ik ga hem dan misschien toch een beetje teleurstellen. Ik heb in de eerste termijn expliciet aangegeven dat we betrokkenheid van de ROB gaan bespreken met de ROB. Dat hoeft niet bij voorbaat een advies te zijn; dat kan ook wat anders zijn. Dat gaan we echter serieus met de ROB bespreken. Zo bedoelde ik mijn toezegging in de eerste termijn.

De heer Van Hattem gaf volgens mij terecht aan dat hij in de eerste termijn ook had gesproken over modelparameters en of er sprake zou zijn van perverse prikkels binnen het gemeentefonds. Laat ik beginnen met de opmerking dat de opvang van asielzoekers via het COA loopt. De financiering van die opvang loopt dus niet via het gemeentefonds. Waarom zit in het verdeelmodel dan de maatstaf niet-westerse migranten? Het doel van het gemeentefonds is dat we gemeentelijk een gelijk voorzieningenniveau tegen een gelijke belastingdruk kunnen aanbieden. De maatstaf niet-westerse migranten zit in het verdeelmodel vanwege het feit dat gemeenten die meer migranten hebben vaak ook meer uitgaven hebben. Kortom, tegenover de extra inkomsten staan ook extra uitgaven.

De heer Van Hattem vroeg ook of ik de onderzoeken naar doelmatigheid en doeltreffendheid onder de aandacht kan brengen. Ik hecht zeer aan gemeentelijk rekenkameronderzoek. In 2022 is de wet nog aangepast, juist om rekenkamers een belangrijkere rol te geven. Ik vertrouw erop dat hieraan nadrukkelijk invulling wordt gegeven.

De voorzitter:

Een heel klein puntje nog van de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ja, misschien toch even voor de inhoudelijkheid hiervan. Die doelmatigheids- en rechtmatigheidsonderzoeken gaan volgens mij niet per saldo via de rekenkamers; het kan ook door een onderzoeksbureau worden gedaan. Het gaat erom dat bij een decentrale overheid — een 213a-onderzoek volgens de Gemeentewet of een 217a-onderzoek volgens de Provinciewet — een bepaalde mate van zelfonderzoek plaatsvindt naar doelmatigheid en rechtmatigheid. Volgens mij staan de rekenkameronderzoeken los van de wetgeving die daarover is aangenomen. Deze onderzoeken zijn wettelijk verplicht. Alleen, daarop vindt niet altijd heel strak uitvoering plaats vanuit gemeentes en provincies. Daar is niet altijd de volle aandacht op. Soms wordt er ook een beetje geshopt en wordt de ene keer naar doelmatigheid gekeken en de andere keer naar rechtmatigheid, terwijl de wet spreekt over doelmatigheid én rechtmatigheid. Ik vraag de minister of hij deze onderzoeken zoals de wetgever ze bedoeld heeft bij de volksvertegenwoordigingen, de gemeentes en provincies, onder de aandacht wil brengen, zoals ik het zojuist heb geprobeerd uit te leggen.

Minister Heerma:

Om te voorkomen dat ik mijn antwoord ga voorlezen, wil ik toezeggen om dit onder de aandacht te brengen.

De heer Van Hattem ging wederom in op de druk om ambtenaren aan te nemen als gevolg van — in zijn lezing — medebewindtaken. Hoewel ik dat in eerste termijn heb geprobeerd te vermijden, ga ik toch de UDO aanhalen. Als er taken bijkomen bij gemeenten, is de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden bedoeld om na te gaan of taken ook uitgevoerd kunnen worden. Als er consequenties zijn verbonden aan die taken, dan blijkt dat uit de UDO. Dat geldt ook voor de vraag of er extra middelen nodig zijn.

In de tweede termijn stelde de heer Dessing een vraag die bijna uitlokking was. Ik ga het antwoord toch beperken, ook met het oog op de klok. De heer Dessing vroeg namelijk om een verhaal uit het hart en niet om het voorlezen van technische antwoorden. Laten we eerlijk zijn, dit is een zeer technisch en zeer ingewikkeld onderwerp. Daarbij is helaas niet te voorkomen — ik hecht ook zeer veel waarde aan de prokkeldag, waar de heer Janssen het over had — dat zowel aan de kant van de Kamer als aan de kant van het kabinet soms met ingewikkelde termen wordt gewerkt. Dat laat onverlet dat wanneer het gaat over het lokaal bestuur, het gaat om lokale samenlevingen. Het gaat over de overheidslaag die veruit het dichtst bij mensen staat en die met zijn besluiten gaat over datgene wat het dagelijks leven van mensen het meest direct raakt: in je wijk, in je buurt, veiligheid op straat, voorzieningen, groen en ga zo maar door. Ik heb een heel warm hart voor het lokaal bestuur, voor het feit dat dit democratie is dicht bij de burger en voor de gemeenschapskracht, zeg ik met de blik naar de linkerzijde van de Kamer, naar de SP. De gemeenschapskracht is de kern van juist deze overheidslaag. Ik zou willen voorstellen dat we tijdens het debat rond de begrotingsbehandeling dit gezamenlijke belang om met het hart te spreken over het lokaal bestuur uitgebreider honoreren dan we dat hier misschien om vijf voor elf 's avonds nog moeten doen. Tegelijkertijd begrijp ik de oproep van de heer Dessing, ook na dit debat.

De voorzitter:

Die heb ik ook begrepen. Ik wil eigenlijk niet in discussie gaan over de vraag of dit voldoende uit het hart was. Het moet echt wel een héél relevante opmerking zijn, meneer Dessing, wilt u de minister nog kunnen overtoepen.

De heer Dessing i (FVD):

Nee, dat klopt. Ik wil de minister bedanken voor dit oprechte antwoord uit het hart, want dit is echt nodig. Dus dank daarvoor. Ik had nog een tweede vraag gesteld over de complexiteit van de taken: zouden we daar niet in een wat structurelere zin, misschien op een ander moment, naar moeten kijken, omdat de complexiteit van taken juist bijdraagt aan de complexiteit voor gemeentes en provincies?

De voorzitter:

Misschien krijgt u nu een bureaucratisch antwoord.

Minister Heerma:

De complexiteit van taken is groot. De heer Dessing geeft al aan dat dit misschien voor een ander moment is. Ik denk inderdaad dat dit voor een ander moment is.

De voorzitter:

De heer Van der Goot nog.

De heer Van der Goot i (OPNL):

Mijn vraag ging over de uitvoering van de motie over inflatiecorrectie, voor het zomerreces van 2025. Het antwoord van vanochtend gaat over een veel langere termijn, namelijk 2027, 2028. Kan de minister toezeggen dat we in de loop van dit jaar een separaat antwoord van de beide bewindspersonen krijgen?

Minister Heerma:

Ik heb volgens mij al toegezegd dat de staatssecretaris van Financiën de Kamer op de hoogte houdt van de uitvoering hiervan. Daarbij wordt inderdaad ook verwezen naar de evaluatie die begin 2027 van start gaat. Ik weet niet of ik nu, in de komende maanden, daar al veel extra over kan toezeggen. Wel heb ik al toegezegd dat we de betrokkenheid van de ROB gaan bespreken. Ik zou willen voorstellen dat we het de Kamer laten weten zodra we daar meer over weten. Dat is dan het moment voor de Kamer om de vinger aan de pols te houden.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Van der Goot (OPNL):

Dank.

De voorzitter:

Minister, bent u aan het einde van uw tweede termijn?

Minister Heerma:

Ik was aan het einde, voorzitter.

De voorzitter:

Dat is mooi, want dan kan ik de beraadslaging sluiten.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel 36800-B? Ja, dat is het geval. Dan stel ik voor dat we daar volgende week over gaan stemmen.

Dan schors ik de vergadering tot morgen, dinsdag 16 juni, 9.30 uur. Ik wens u allen een zeer wel thuis.