Plenair Baumgarten bij behandeling Afschaffing van tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo's voor wetenschappelijk onderzoek



Verslag van de vergadering van 3 november 2026 (2026/2027 nr. 07)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 11.30 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Baumgarten i (JA21):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik sta hier vandaag niet alleen als senator van een partij met zowel conservatieve als liberale principes. Ik sta hier ook als medisch specialist en onderzoeker. Bovendien toets ik met regelmaat ivf-laboratoria op hun compliance met wet- en regelgeving.

Vandaag debatteren we over de vraag of wij het als senatoren acceptabel vinden dat geslachtscellen, zogenaamde gameten, in samengesmolten vorm opgewekt en gebruikt mogen worden voor het doen van wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld op het terrein van de fertiliteitszorg. De wetgever heeft daar eerder al in voorzien. Immers, zogenaamde restembryo's mogen, na een fertiliteitsbehandeling en na toestemming van degenen van wie de geslachtscellen afkomstig zijn, gebruikt worden voor wetenschappelijk onderzoek. De initiatiefnemers van het voorliggende wetsvoorstel willen middels het opheffen het verbod op het doelbewust tot stand brengen van embryo's wetenschappelijk onderzoek mogelijk maken om bepaalde nieuwe therapieën te faciliteren. Voor de helderheid: geslachtscellen mogen na aanname van het wetsvoorstel dus worden gebruikt om menselijk embryonaal leven tot stand te brengen puur en alleen ten behoeve van wetenschappelijke doeleinden, niet ten behoeve van voortplanting an sich.

Daarmee raken we aan een klassiek ethisch principe: menselijk leven behoort niet uitsluitend als middel voor een ander doel te worden gebruikt. De initiatiefnemers zullen ongetwijfeld tegenwerpen dat een embryo niet dezelfde morele status heeft als de categorie mens, maar daarmee is de principiële vraag nog niet beantwoord, want ook de initiatiefnemers erkennen dat het embryo beschermwaardig is. Als dat zo is, waarom zou het dan wel geoorloofd zijn om datzelfde embryo, hetgeen meer is dan zomaar een klompje cellen of wat weefsel, doelbewust te creëren als onderzoeksinstrument? Wat betekent die beschermwaardigheid wanneer het creëren van een embryo vanaf het begin alleen ten dienste staat van het onderzoeksbelang? De initiatiefnemers menen echter dat deze beschermwaardigheid c.q. bescherming niet absoluut is en dat het belang van wetenschappelijk onderzoek in bepaalde gevallen zwaarder mag wegen. Hun rechtvaardiging zoeken zij vervolgens in de wettelijke voorwaarden, de afwezigheid van alternatieve onderzoeksmethoden en de onafhankelijke toetsing door de CCMO, de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek, een zbo in het leven geroepen op basis van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek. Maar dat zijn waarborgen voor de uitvoering, geen antwoord op de voorafgaande principiële vraag waarom menselijk embryonaal leven doelbewust mag worden gecreëerd om het voor onderzoek te gebruiken en het daarna te vernietigen. Dat een handeling zorgvuldig wordt gereguleerd, maakt die handeling nog niet moreel gerechtvaardigd.

De belangenafweging die voorligt, is evident. Enerzijds willen en moeten wij als wetgever menselijk leven beschermen, maar anderzijds hebben wij ook een verantwoordelijkheid om medisch-wetenschappelijk onderzoek te stimuleren. Juist die belangenafweging veronderstelt iets wat allerminst vanzelfsprekend is: dat de beschermwaardigheid van menselijk embryonaal leven en de verwachte wetenschappelijke opbrengst op een en dezelfde weegschaal kunnen worden gelegd. Dat is een ethische keuze, geen wetenschappelijk gegeven. De wetenschap kan ons vertellen welke kennis het experiment mogelijk oplevert, maar zij kan ons niet vertellen hoeveel menselijk embryonaal leven die kennis waard is. Het is precies die onzekerheid die naar het oordeel van mijn fractie tot terughoudendheid zou moeten leiden. Niet omdat wetenschappelijk onderzoek onbelangrijk is, maar omdat het ontbreken van een algemeen aanvaard criterium voor de morele status van het embryo geen vrijbrief kan zijn om die status vervolgens ondergeschikt te maken aan onderzoeksbelang.

De beoogde praktijk. Een onderzoeksaanvraag en de toestemming worden voorgelegd respectievelijk gevraagd aan de CCMO. De CCMO maakt een afweging tussen de beschermwaardigheid van het embryo en het veronderstelde onderzoeksbelang op basis van open normen, zoals proportionaliteit. De kern is dus dat niet de wetgever, maar de CCMO bepaalt wat proportioneel is, welke bezwaren zwaar wegen en wanneer de beschermwaardigheid van het embryo ondergeschikt is aan het veronderstelde onderzoeksbelang. Daarmee komen we bij een fundamenteel probleem: de CCMO kan uitstekend beoordelen of een onderzoek wetenschappelijk deugdelijk is, of de methodologie klopt en of er geschikte alternatieven bestaan, maar de vraag of het doelbewust creëren en vervolgens gebruiken van menselijk embryonaal leven moreel gerechtvaardigd is, is van een andere orde. Daarvoor bestaat geen wetenschappelijke meetlat. Dat is een normatief oordeel en het primaat bij het stellen van zulke fundamentele normen behoort wat mijn fractie betreft bij de democratische wetgever te liggen.

Voorzitter. Dat brengt mij bij de volgende vragen over het wetsvoorstel.

De voorzitter:

Misschien is dit een mooi moment voor de heer Van Meenen om u te interrumperen. Gaat uw gang.

De heer Van Meenen i (D66):

Maar het is toch zo dat deze wet vastlegt dat dat moreel aanvaardbaar is? Dat is wat we hier vandaag aan het doen zijn, niet meer of minder dan dat. Dat is het voorstel van de initiatiefnemers, die ook, net als wij allemaal, dat grote dilemma voelen. Wij zijn hier in de politiek om die waarden tegen elkaar af te wegen. Dat doen wij opdat de CCMO vervolgens al die andere afwegingen kan maken. Dat is in mijn ogen precies — ik ben benieuwd naar de reactie van de heer Baumgarten — waarvoor wij hier bij elkaar zijn: om die morele afweging hier te maken, waar die thuishoort. Dat doet deze wet en dat doen wij.

De heer Baumgarten (JA21):

Ik interpreteer die wet wezenlijk anders. Volgens mij wordt de beoordeling of een onderzoek uitvoerbaar en aanvaardbaar is juist bij de CCMO gelegd, terwijl ik vind dat dat primaat bij de politiek hoort.

De heer Van Meenen (D66):

Als je dat volhoudt voor elk wetenschappelijk onderzoek, gaan wij dus hier in de Kamer bij elk wetenschappelijk onderzoek beoordelen of dat wel of niet plaats kan vinden, want je kan bij elk wetenschappelijk onderzoek, zeker in deze hoek, zal ik maar zeggen — dat weet de heer Baumgarten nog veel beter dan ik — morele oordelen vellen. Dan wordt het hier een soort wetenschappelijk instituut. Nogmaals, ik daag de heer Baumgarten uit om daar iets preciezer in te zijn. Hij pleit ervoor dat wij hier die morele afweging maken. Dat is wat wij hier doen, opdat vervolgens de wetenschap en de CCMO hun werk kunnen doen in die uitvoering. Hoe moeilijk het ook is, die afweging gaan wij hier de komende week met elkaar maken. Is de heer Baumgarten dat met mij eens?

De heer Baumgarten (JA21):

Nee, dat ben ik niet met de heer Van Meenen eens. Wij stellen een vrij algemeen kader met deze wet en laten vervolgens de daadwerkelijke beoordeling over aan de CCMO. Dat vind ik in alle eerlijkheid een hellend vlak. Dat is waarom ik vind dat dit soort zeer gevoelige ethische dilemma's thuishoren bij de politiek.

De voorzitter:

Een laatste keer, meneer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Dit is, zoals ook al door anderen is gezegd, eigenlijk een hele kleine wet. Die gaat iets toestaan wat tot nu toe tijdelijk niet is toegestaan. Dat is alles wat er gebeurt. Vervolgens heb ik verschillende sprekers allerlei toekomstperspectieven horen schetsen waar deze wet totaal niet over gaat. Sterker nog, dat zijn doembeelden die ons voortdurend worden voorgehouden van wat er allemaal zou kunnen gebeuren. Maar daar gaat deze wet niet over. Sterker nog, alles wat nodig is om dat tegen te houden, staat nog steeds in de wet. Er is geen enkele manier om daardoorheen te breken. Het enige wat de CCMO volgens mij kan doen, nadat wij ons oordeel hebben gegeven, is afwegen of er alternatieven zijn, zwaarwegend: zijn er wetenschappelijke alternatieven die dezelfde opbrengst hebben? Dat is wat ze gaan doen en ik hoop dat de heer Baumgarten dat als wetenschapper ook toejuicht in plaats van dat hij dat veroordeelt.

De heer Baumgarten (JA21):

Ik wil daar toch op reageren. Wat mij betreft is de wijziging die wordt voorgesteld niet klein. Misschien is die in strikte zin technisch klein, maar de implicaties zijn enorm. We hebben het immers over het proactief opwekken van embryonaal weefsel, embryo's. Dat gaat spreekwoordelijk over ons eigen DNA. Ik vind dat de kaders daarvoor bewaakt moeten blijven worden door de politiek. We moeten niet, zeg ik maar heel even scherp, de CCMO een vrijbrief geven om zelf per onderzoeksaanvraag een belangenafweging te maken.

De heer Van Meenen (D66):

Dat is ook precies wat we niet doen, volgens mij, maar goed.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Wat de heer Baumgarten zegt, dat we vandaag echt met iets bezig zijn en ook een morele afweging maken: dat ben ik helemaal met hem eens. Ik ben het echter ook eens met de heer Van Meenen. Als wij deze wet aanvaarden, aanvaarden we dat het is toegestaan om embryo's te creëren voor onderzoek. Dan hebben we die morele beslissing genomen. Wetstechnisch zou ik de heer Baumgarten willen verwijzen naar artikel 10, dat vervolgens de criteria aangeeft die die centrale commissie moet hanteren. Daar zit dat aspect niet meer in, want dat is in feite al onderdeel van de wet geworden. Hoe kijkt de heer Baumgarten daartegen aan, gewoon wetstechnisch gezien?

De heer Baumgarten (JA21):

De criteria waar de CCMO vervolgens mee aan de slag moet, komen dan weer niet terug bij de wetgever. De CCMO legt vervolgens verantwoording af aan de hand van het jaarverslag: hoeveel onderzoeksaanvragen zijn er ingediend en eventueel goedgekeurd? Maar dat is toetsing achteraf. Ik vind dat het bij dit soort zwaarwegende morele initiatieven aan de wetgever is — lees: aan ons als politiek — om die belangenafweging te blijven maken.

De heer Nicolaï (PvdD):

Maar over welke morele afweging heeft de heer Baumgarten het dan? Dat kan immers niet meer de afweging zijn of we niet een grens over gaan wanneer we toestaan dat er een embryo gecreëerd wordt om onderzoek op te doen, want die grensovergang hebben we al geaccepteerd als we de wet aannemen. De criteria die in artikel 10 staan, ook na de wijziging van dit wetsontwerp, zijn precies de criteria waar de heer Baumgarten het over heeft en waar een medicus naar kan kijken. Dat zijn immers niet de morele criteria. Die hele morele criteria kom ik in artikel 10 niet tegen, maar dat is ook al gepasseerd. Graag een reactie.

De heer Baumgarten (JA21):

We zijn hier vandaag nou juist om het debat te voeren over die wet, waarbij ik in dit plenaire debat en volgende week bij de hoofdelijke stemming aangeef hoe mijn fractie denkt over het opheffen van die morele grens; ingewikkelder wil ik het niet maken.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u uw betoog vervolgt. U ging net wat vragen stellen, geloof ik.

De heer Baumgarten (JA21):

U heeft het helemaal door, meneer de voorzitter. Dat brengt mij inderdaad tot de volgende vragen over het wetsvoorstel.

Ten eerste wijzen de initiatiefnemers op de deskundigheid van de CCMO en haar jaarlijkse rapportages. We hebben in onze vragen geen moment getwijfeld aan de deskundigheid van de CCMO. Mijn fractie maakt zich zorgen over de normverschuiving. Mijn fractie heeft gevraagd hoe wordt voorkomen dat fundamentele ethische normen geleidelijk verschuiven zonder dat de wetgever daarover opnieuw beslist. Een jaarverslag biedt achteraf inzicht, maar geen voorafgaande democratische zeggenschap. We hadden het daar net al over. Waarom achten de initiatiefnemers dat voldoende?

Twee. Kunnen de initiatiefnemers aangeven op grond van welke ethische beginselen de CCMO moet vaststellen dat het belang van een onderzoek zwaarder weegt dan de beschermwaardigheid van het embryo? Waar heeft de wetgever die beginselen voldoende concreet vastgelegd?

Ten derde heeft mijn fractie gevraagd welke specifiek in Nederland gevestigde onderzoeksprogramma's uitsluitend door dit wetsvoorstel mogelijk worden gemaakt en welke daarvan bij verwerping structureel niet of slechts met wezenlijke vertraging tot uitvoering kunnen komen. De initiatiefnemers noemen één onderzoeksproject van Amsterdam UMC, maar ze maken niet concreet welke onderdelen daarvan uitsluitend dankzij deze wetswijziging mogelijk worden. Evenmin tonen zij aan waarom internationale samenwerking voor die onderdelen geen toereikend alternatief vormt. Kunnen zij dat alsnog specificeren?

Vier. Ten slotte het volgende. Kunnen de initiatiefnemers en de minister in het bijzonder toezeggen dat er nimmer een financiële incentive komt voor koppels om hun gameten ter beschikking te stellen voor de wetenschap?

De heer Van Meenen (D66):

Eerdere sprekers hebben dit ook al gedaan en de heer Baumgarten doet het opnieuw. Hij suggereert dat er een tegenstelling is tussen de beschermwaardigheid van het embryo en de belangen van de wetenschap. Maar dat is niet de tegenstelling waar we hier over praten. Waar we over praten, is de beschermwaardigheid van het embryo en het belang van mensen die heel graag een kind willen. Dat is de belangentegenstelling. De wetenschap is daar een middel toe. Ik wil dat toch benadrukken. Het is niet alsof de wetenschap hier een eigen belang heeft. Nee, gelukkig is het in Nederland zo dat de wetenschap de belangen van ons als burgers dient. Het feit dat wij hier in deze omgeving staan op hoge leeftijd, hebben we allemaal te danken aan diezelfde wetenschap. Dit is weer een stap in de wetenschap die zich ontwikkelt, elke dag, of we dat nou willen of niet. Ik verwerp dus de tegenstelling die hier voortdurend wordt geschetst tussen het belang van de wetenschap en de beschermwaardigheid van het embryo. Nee, het is het belang van ouders, zowel bij de zeer ernstige erfelijke aandoeningen als bij de mogelijkheid om überhaupt tot kinderen te komen.

De voorzitter:

En u vraagt een reactie van de heer Baumgarten?

De heer Van Meenen (D66):

Is de heer Baumgarten het met mij eens dat dat de wezenlijke tegenstelling is en dat de wetenschap hierin niet een eigen belang heeft?

De heer Baumgarten (JA21):

De vraag van de heer Van Meenen had een lange aanloop, maar het onderzoek voor fertiliteitsbehandelingen kan wel degelijk worden gedaan. In het begin van mijn betoog heb ik ook gezegd dat zogenaamde restembryo's prima gebruikt kunnen worden voor het doen van wetenschappelijk onderzoek in de fertiliteitszorg. Wat met dit wetsvoorstel wordt beoogd, is om embryo's proactief op te wekken en om zogenaamd vroegimplantatieonderzoek et cetera te doen. Maar de vraag is — op onze schriftelijke vragen daarover hebben wij geen goed antwoord gekregen — of we die morele grens over willen. Mijn fractie zegt: nee.

De heer Van Meenen (D66):

Dat begrijp ik. Ik heb ook niet de illusie dat ik u kan overtuigen. Maar ik wil wel graag dat de mensen die naar dit debat luisteren heel goed begrijpen wat hier gebeurt. De heer Baumgarten geeft geen antwoord op mijn vraag, namelijk of het in zijn ogen zo is … Want dat zegt hij letterlijk. Zijn eerste zinnen in dit blokje waren: de beschermwaardigheid van het embryo staat hier tegenover het belang van de wetenschap. Dat is de tegenstelling die hier gecreëerd wordt. Ik vraag hem: ziet hij het werkelijk zo dat dát de tegenstelling is? Of is de tegenstelling die tussen de belangen van ouders die graag een kind willen of het voorkomen van zeer ernstige erfelijke ziektes en de beschermwaardigheid van het embryo? Dat vraagt juist om een veel grotere waardenafweging. Is hij het met mij eens dat dat de werkelijke tegenstelling is?

De heer Baumgarten (JA21):

Ik wil niet spreken over een tegenstelling, maar over een afweging. Als de heer Van Meenen goed naar mijn betoog heeft geluisterd, heeft hij gehoord dat ik het heb over een afweging die wij nu als wetgever maken. Wij denken na over het belang van wetenschappelijk onderzoek versus het slechten van een ethische grens ten aanzien van het proactief opwekken van embryo's. Dat is de belangenafweging waar ik het over heb. Dat is niet een tegenstelling, zoals de heer Van Meenen van mij heeft kunnen horen. Laat het maar gezegd zijn: er is nu wel degelijk wetenschappelijk onderzoek op restembryo's mogelijk. Het is dus niet zo dat er géén wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt, ook nu niet.

De heer Van Meenen (D66):

Eens, maar niet het wetenschappelijk onderzoek dat nodig is om deze stap te zetten.

De heer Baumgarten (JA21):

Dat vond ik teleurstellend in de beantwoording van de schriftelijke vragen. Op mijn vragen over welk wetenschappelijk onderzoek we het concreet hebben en welke onderzoeksvoorstellen er op de plank liggen, kreeg ik tot nu toe een teleurstellend antwoord. Ik ben benieuwd of de initiatiefnemers daar zo meteen een nadere verklaring voor hebben.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Baumgarten (JA21):

Voorzitter. Het zal u niet verbazen dat mijn fractie uiterst kritisch staat tegenover het nut en de noodzaak van het onderhavige wetsvoorstel. De initiatiefnemers hebben dat in mijn ogen, en dus ook in mijn ogen als wetenschapper, onvoldoende duidelijk kunnen maken, hetgeen in essentie ook de kritiek is van de Raad van State. Sterker nog, onze zorgen zitten op het verschuiven van het politiek primaat van de wetgever naar de CCMO. Het mandaat over een dergelijk gevoelig onderwerp is en blijft wat ons betreft aan de politiek, aan vertegenwoordigers van het volk, niet aan niet-gekozen leden van een zbo. Dat is niet vanuit pure controlebehoefte, maar bovenal om ervoor te waken dat we ons op een hellend vlak begeven wat betreft het beschermen van ons eigen DNA en menselijk leven.

Meneer de voorzitter. Daarbij wil ik één misverstand wegnemen. Mijn fractie hoeft om bezwaren te hebben tegen dit wetsvoorstel niet te bewijzen dat een embryo in ieder opzicht dezelfde morele status heeft als een geboren mens. De vraag is juist of de initiatiefnemers voldoende hebben aangetoond dat het gerechtvaardigd is om iets wat zij zelf als beschermwaardig erkennen, doelbewust tot stand te brengen om het vervolgens uitsluitend voor onderzoek te gebruiken.

Ondanks mijn kritische vragen zie ik uit naar de antwoorden van de regering en de initiatiefnemers.

Dank u wel.

De heer Nicolaï (PvdD):

Tot slot heb ik de volgende vraag aan de heer Baumgarten. Hij heeft het over heel wezenlijke zaken gehad. Het gaat om een morele keuze die wij hier allemaal moeten maken. Hij speelt de bal terug naar de regering en de initiatiefnemers. Die moeten op een vraag antwoord geven. Ik ben echter benieuwd of de fractie van de heer Baumgarten die morele keuze nou zelf heeft gemaakt. Als die morele keuze eigenlijk is dat men niet vindt dat er embryo's mogen worden gecreëerd voor wetenschappelijk onderzoek, wat zijn dan de argumenten voor die keuze van de fractie van de heer Baumgarten?

De voorzitter:

Gaat uw gang.

De heer Baumgarten (JA21):

Dank u wel, meneer de voorzitter; ik wachtte even tot ik het woord van u kreeg. Ik wil via u, meneer de voorzitter, aan de heer Nicolaï duidelijk maken dat er wel degelijk wetenschappelijk onderzoek gedaan kan worden, ook naar ingewikkelde en hele ingrijpende ziektes; het is vandaag al eerder voorbijgekomen. Dat kan middels stamcelonderzoek, embryo-like structures et cetera. Het gaat hier vooral om de vraag — dan hebben we het over de inhoud — of we onderzoek willen kunnen doen naar het vroege embryo ten behoeve van fertiliteitszorg. Nogmaals, het is niet zo dat het onderzoek nu niet kan plaatsvinden. Wij vinden het bewaken van de grens om embryo's niet proactief op te wekken, zeer wezenlijk. Onze fractie zit er wat dat betreft dus zeer behoudend in, maar dat heeft u uit mijn betoog kunnen opmaken. Wij zijn er namelijk niet van overtuigd dat het onderzoek naar vroege embryo's voor implantatiedoeleinden ten behoeve van fertiliteitsonderzoek nu strikt noodzakelijk is. Nogmaals, op onze schriftelijke vragen hebben wij geen goede antwoorden gekregen.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat is in feite een proportionaliteitsvraag. Mijn vraag is echter: hoe staat de fractie erin dat wij met deze wet principieel de keuze maken dat je embryo's mag creëren voor wetenschappelijk onderzoek? Dat is toch de principiële keuze die deze wet in feite aan ons voorlegt? Ik dacht even in de woorden van de heer Baumgarten te beluisteren dat zijn fractie zegt: als we die keuze moeten maken, zeggen we nee. Ik ben benieuwd op welke afweging, morele beginselen, gedachte enzovoort dat dan is gebaseerd.

De heer Baumgarten (JA21):

Het is juist de proportionaliteit waar wij zorgen over hebben. Vandaar dat wij als fractie in deze Kamer zeggen: het proactief opwekken van embryo's, puur en alleen ten behoeve van wetenschappelijke doeleinden, vinden wij niet aanvaardbaar.

De voorzitter:

De heer Nicolaï gaat weer naar zijn plaats. De heer Baumgarten was klaar met zijn betoog. Dan zijn we toe aan de heer Van Meenen namens de fractie van D66. Aan u het woord.