Verslag van de vergadering van 27 oktober 2026 (2026/2027 nr. 06)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 10.57 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Dittrich i (D66):
Voorzitter, dank. Fijn dat de bewindspersonen hier zijn en dat we over de rechtsstaat van gedachten kunnen wisselen met het kabinet en met elkaar, want de rechtsstaat is een van de belangrijkste fundamenten van onze democratie. Sinds 2022 staat dan ook expliciet in de algemene bepaling van onze Grondwet vóór artikel 1 dat de Grondwet de grondrechten én de democratische rechtsstaat borgt. Maar een rechtsstaat is ook meer dan een verzameling wetten en instituties. Het gaat erom dat mensen vrij kunnen leven, dat hun rechten worden beschermd en dat ze op de overheid kunnen rekenen. Vanuit het sociaal-liberale perspectief van D66 is de rechtsstaat dan ook geen abstract juridisch construct, maar een waarborg voor vrijheid, gelijkheid en menselijke waardigheid. Juist daarom moeten we waakzaam zijn wanneer de rechtsstaat onder druk komt te staan. Dat zien we — laat ik daarmee beginnen — internationaal, maar overigens ook in Nederland, waar de bescherming van burgers en het functioneren van onze instituties niet altijd vanzelfsprekend zijn. In dit debat wil ik daarom stilstaan bij zowel de institutionele waarborgen van onze rechtsstaat als bij de manier waarop mensen die in de praktijk ervaren. Want uiteindelijk moet de rechtspraak leveren, de rechtsstaat leveren.
Voorzitter. Onze rechtsstaat staat niet op zichzelf. Ze maakt deel uit van een internationale rechtsorde, die van groot belang is voor de bescherming van de fundamentele rechten en het uitgangspunt dat niemand boven het recht staat. Tegelijkertijd zien we hoe die uitgangspunten onder druk komen te staan. De regering-Trump ondermijnt het internationaal recht door bijvoorbeeld het Internationaal Strafhof, zijn rechters, aanklagers en medewerkers met sancties en uitsluitingen het werk moeilijk ofwel onmogelijk te maken. Ook geeft de Amerikaanse regering landen die de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof erkennen zes maanden de tijd om zich terug te trekken. Tegen die achtergrond klonk het de fractie van D66 als muziek in de oren dat premier Jetten tijdens zijn toespraak bij de Verenigde Naties in september zei: handen af van het Internationaal Strafhof en van de andere internationale instituties. D66 wil graag van de minister weten op welke manieren de Nederlandse regering zich nationaal en internationaal inzet om het Internationaal Strafhof zijn werk te kunnen laten doen.
Voorzitter. Ook in Nederland moeten we uiteraard waakzaam blijven om een sterke rechtsstaat te blijven houden. De Europese Commissie heeft een vergelijkend onderzoek gedaan en was eigenlijk gematigd positief over Nederland. Ook de Commissie van Venetië is gematigd positief, maar plaatst een belangrijke kanttekening, namelijk bij de rol van de minister bij benoemingen van leden van de Raad voor de rechtsspraak. Die zou moeten worden afgeschaft. Dat sluit eigenlijk aan bij de aanbevelingen van professor Soeharno in zijn artikel Constitutionele waarborgen. Ook de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak pleit voor het afschaffen van de ministeriële invloed bij benoemingen en het minimaliseren van die invloed bij benoemingen van gerechtsbestuurders en rechters, en ook voor een separate begroting voor de rechterlijke macht. De Raad voor de rechtspraak heeft hier al een concreet voorstel voor gedaan en de vraag van mijn fractie is hoe het daar eigenlijk mee staat. Welke maatregelen neemt de minister om dit te regelen en op welke termijn?
Tegenover die gematigd positieve beoordelingen staat het zeer kritische rapport van de Staatscommissie rechtsstaat, De gebroken belofte van de rechtsstaat. De commissie concludeert dat de rechtsstaat voor een aanzienlijke groep burgers tekortschiet, dat de overheid te ingewikkeld is geworden en dat de rechtsbescherming onvoldoende is. De staatscommissie doet tien concrete verbetervoorstellen. Mijn vraag aan de regering is welk plan van aanpak zij nu heeft om deze voorstellen uit te voeren.
De noodzaak tot verbetering zien we ook bij de organisaties die onze rechtsstaat dagelijks laten functioneren. Dan denk ik aan de politie, het Openbaar Ministerie, de rechtspraak, de sociale advocatuur en het gevangeniswezen. Ze staan allemaal onder druk vanwege personeelstekorten, ingewikkelde procedures, gebrekkige ICT en een tekort aan cellen. Ook het vertrouwen in overheidsinstituties heeft door bijvoorbeeld het toeslagenschandaal een flinke deuk opgelopen. De snelle opkomst van AI brengt bovendien nieuwe uitdagingen met zich mee. In het rapport van de Algemene Rekenkamer zien we dat de Rekenkamer erg kritisch is over de justitieketen. De minister heeft eerder een deltaplan aangekondigd. Daarin zijn wij zeer geïnteresseerd. Kan de minister de contouren van dat deltaplan schetsen en aangeven wanneer nu de eerste verbeteringen kunnen worden verwacht? Dat hangt eigenlijk ook weer samen met het Wetboek van Strafvordering, dat wij hier in de Eerste Kamer ook uitgebreid hebben bediscussieerd met de minister van Justitie. In 2029 zou dat worden ingevoerd. Gaan we dat wel halen? En als dat niet lukt, wat betekent dat dan voor het vertrouwen van de ketenpartners in het bijzonder in het probleemoplossend vermogen van het Openbaar Ministerie? Wij hebben namelijk begrepen van het Openbaar Ministerie zelf dat daar enorme knelpunten aanwezig zijn.
Een goed functionerende rechtsstaat vraagt niet alleen om sterke instituties en voldoende capaciteit, maar ook om een overheid die begrijpt wat haar handelen betekent voor mensen. Juist wanneer de overheid tekortschiet, moeten burgers erop kunnen vertrouwen dat hun rechten worden beschermd. Václav Havel, de Tsjechische dissident en latere president van Tsjechië, zei — ik citeer hem: "Een rechtsstaat moet niet alleen juridisch, maar ook sociaal, politiek en moreel op orde zijn." Havel benadrukte dat een goed rechtssysteem niet in een vacuüm bestaat. Het vraagt ook om individuele verantwoordelijkheid en een moreel besef dat de waardigheid en onvervreemdbare rechten van ieder mens beschermd worden. Als sociaalliberaal benader ik de rechtsstaat daarom vanuit de belevingswereld van mensen.
Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat Nederlanders de principes van de democratische rechtsstaat breed onderschrijven, maar dat de steun voor waarborgen als machtenscheiding en onafhankelijke toetsing minder vanzelfsprekend is. Daarom zegt het Sociaal Cultureel Planbureau ook dat politici, bestuurders en ambtenaren zich actief moeten opstellen als ambassadeurs van diezelfde rechtsstaat. De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft gewezen op een gebrek aan rechtsstatelijk bewustzijn binnen overheidsorganisaties. Daarom pleiten wij voor een structurele rechtsstaatagenda met scholing, reflectie en versterking van de rechtsstatelijke cultuur binnen de overheid. Vraag aan de minister: is de minister bereid om op korte termijn met zo'n rechtsstaatagenda aan de slag te gaan en de Kamer hierbij te betrekken?
Overigens speelt ook het onderwijs een belangrijke rol. Internationaal onderzoek laat zien dat de Nederlandse scholieren achterblijven op het gebied van burgerschapskennis en burgerschapsvaardigheden. Kan de minister toezeggen dat hij samen met zijn collega's op het ministerie van OCW verkent welke aanvullende stappen mogelijk zijn om rechtsstatelijke waarden beter te borgen binnen het onderwijs?
Voorzitter. Een rechtsstaat bewijst zijn waarde vooral wanneer mensen bescherming nodig hebben. Dat de overheid daarin tekort kan schieten, blijkt onder meer uit de bescherming van vrouwen tegen geweld. Elke acht dagen wordt er in Nederland een vrouw vermoord, vaak door een partner of ex-partner. Het kabinet wil de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling verbeteren, onder meer door preventie, vroegtijdige signalering en betere samenwerking. Ook wordt gewerkt aan wetgeving om onder andere dwingende controle en psychische mishandeling expliciet strafbaar te stellen. Dat zijn relevante stappen, maar uiteindelijk gaat het erom of vrouwen daadwerkelijk veiliger worden. Hoe gaat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, zoals in het regeerakkoord is aangekondigd, waarborgen dat signalen eerder worden herkend, dat professionals tijdig informatie kunnen delen en dat slachtoffers niet tussen instanties verdwalen? Hoe kunnen gemeenten voldoende opvangplekken bieden? Hoe wordt gemeten of de aanpak ook effectiever wordt? Welke resultaten verwacht de minister en hoe wordt de Eerste Kamer daarover geïnformeerd?
Voorzitter. Een ander punt is de omgang met dakloosheid en mensen met onbegrepen gedrag. Dat vraagt om een overheid die haar verantwoordelijkheid neemt. Politie, gemeenten, de ggz en maatschappelijke organisaties zien een enorme toename van dakloosheid en verwarde personen op straat. De politie moet steeds vaker ingrijpen bij problemen waarvoor eigenlijk de ggz aan zet is. Die kampt echter weer met een enorm tekort aan opvangplekken. Doordat de politie hier zo druk mee bezig is, blijven allerlei aangiftes van andere zaken liggen. De samenleving snakt naar een doorbraak. Op 1 april 2025 heeft de Eerste Kamer een motie aangenomen van mijn collega Carla Moonen die om een plan van aanpak vraagt dat over de hekjes van de ministeries heen gaat om dit probleem in de samenleving aan te pakken. Vervolgens is het regeerakkoord gekomen en daarin wordt dit probleem wel onderkend, maar de vraag is natuurlijk hoe de motie-Moonen en het regeerakkoord op dit punt worden uitgevoerd. Graag een reactie hierop.
Voorzitter. Ook suïcidepreventie raakt aan de bescherming door en verantwoordelijkheid van de overheid. Gemiddeld overlijden 5 mensen per dag door suïcide en elke suïcide raakt daarnaast ongeveer 135 mensen; dat is door onder andere 113.nl helemaal uitgerekend en onderzocht. Vorig jaar hebben wij als Eerste Kamer de Wet integrale suïcidepreventie goedgekeurd. Die wet is op 1 januari van dit jaar, 2026, van kracht en geeft aan de gemeenten een belangrijke rol bij effectief preventiebeleid. Als je naar de cijfers kijkt, schrik je echt. Elke maand sterven 30 jongeren door suïcide. Suïcide is ook de meest voorkomende doodsoorzaak onder jongeren. Lhbti-jongeren zijn daarbij sterk oververtegenwoordigd. Het zijn ook jongeren die discriminatie en pesten ervaren. Ook jongeren uit de jeugdzorg zijn heel kwetsbaar.
Daarom wil ik in dit debat aandacht vragen voor psychosociale autopsie. Dat is een onderzoek waarbij de levensloop, de geestelijke toestand en de omstandigheden voorafgaand aan een suïcide worden gereconstrueerd, onder meer via gesprekken met nabestaanden en dossieronderzoek. Er zijn mensen voor opgeleid om dit werk te doen. Ik verwijs daarvoor naar 113.nl. Uit dergelijke onderzoeken blijkt dat problematische schulden, gokverslaving, alcoholverslaving, drugsverslaving, discriminatie, pesten en eenzaamheid een belangrijke rol kunnen spelen. Hoe meer onderzoek wordt gedaan, hoe beter we de patronen kunnen herkennen en de preventie kunnen verbeteren, zoals het wetsvoorstel dat wij hebben aangenomen voorschrijft.
Dat raakt ook het terrein van Justitie en Veiligheid, want bij een vastgestelde zelfdoding stoppen politie en OM met elk onderzoek. Dat is eigenlijk een gemiste kans, wanneer nader onderzoek kan helpen om herhaling te voorkomen. Bovendien zijn politie en OM niet aangesloten bij initiatieven om psychosociale autopsie aan te bieden. Nabestaanden zouden standaard op de mogelijkheden moeten worden gewezen. De Wet integrale suïcidepreventie kent, zo blijkt, geen invoeringstoets en de evaluatie moet nog worden opgezet. Zou de minister willen toezeggen dat de regering samen met 113.nl een invoeringstoets organiseert en dat de standaarddoorverwijzing naar psychosociale autopsie door politie en OM wordt meegenomen in de evaluatie? Zou die doorverwijzing niet moeten worden verankerd in de opleidingen van de politie en het Openbaar Ministerie?
De heer Talsma i (ChristenUnie):
Ik luister met belangstelling naar de bijdrage van collega Dittrich. Als ik dat laatste gedeelte een beetje op me laat inwerken, krijg ik de indruk — dat toets ik dan maar even bij hem — dat collega Dittrich nu pleit voor een actieve rol van politie en Openbaar Ministerie bij het onderzoeken van zelfdodingen. Dan vraag ik me, in het kader van de rechtsstaat, toch af hoe dat zich verhoudt tot de wettelijke taak die politie en Openbaar Ministerie hebben.
De heer Dittrich (D66):
Ik ben heel blij met deze vraag, want dat is uitdrukkelijk juist niet mijn bedoeling. Als er nu een overlijden is waarbij de politie wordt ingeschakeld en de politie ziet dat er een zelfdoding heeft plaatsgevonden, stopt alles, terwijl er in de samenleving — denk aan 113.nl — allerlei mensen zijn opgeleid om zo'n psychosociale autopsie te doen. Dat moet dus niet door de politie of het OM worden gedaan, maar die moeten wel goed kunnen doorverwijzen. Dat gebeurt niet. Vanuit de samenleving hebben wij allerlei berichten ontvangen waaruit blijkt dat daar echt een leemte zit, waardoor we met z'n allen onvoldoende leren hoe we vanuit preventie kunnen voorkomen dat zelfdodingen op zo'n grote schaal plaatsvinden.
Als je tot je door laat dringen dat het om 30 jongeren per maand gaat en dat het de meest voorkomende doodsoorzaak is, besef je dat wij hierin echt een rol te vervullen hebben. Ik zou de fracties van de SGP en de ChristenUnie en de andere fracties uit de Tweede Kamer die het initiatief hebben genomen voor dat wetsvoorstel, graag een compliment willen geven, want normaal gesproken blijft dit eigenlijk altijd buiten het politieke debat, terwijl die wet op de suïcidepreventie in de ogen van de fractie van D66 in de Eerste Kamer een belangrijk middel is om hier werk van te maken.
De heer Schalk i (SGP):
Ook ik zit met belangstelling te luisteren naar dit deel van het betoog van de heer Dittrich. Ik zat even naar wat cijfers te kijken. Er waren 1.758 suïcidegevallen vorig jaar. Daarvan zou een deel te voorkomen zijn door goede preventie, wellicht; laten we dat hopen. Maar ik zag ook 10.000 euthanasiegevallen en 40.000 abortussen. Zouden we niet moeten inzetten op veel bredere preventie als het gaat over elementen en onderwerpen die te maken hebben met doodsoorzaken?
De heer Dittrich (D66):
Dit is een heel interessante vraag van de heer Schalk. Hij noemt bijvoorbeeld euthanasie. Daar is het natuurlijk zo dat degene die euthanasie wil, van tevoren gesprekken heeft met de huisarts of een andere arts die dat begeleidt en daarbij betrokken is. In die voorfase zijn natuurlijk al heel wat gesprekken aan de gang. Het is natuurlijk niet zo dat er pats-boem een euthanasie plaatsvindt. Dus daar zie ik dat wij goed functionerende euthanasiewetgeving hebben en zie ik niet een extra rol voor de overheid, behalve in z'n algemeenheid bij voorlichting.
De heer Schalk (SGP):
Laat ik even op dat ene onderwerp doorgaan: euthanasie. Ik heb weleens gehoord van een verpleeghuisdirecteur die op een gegeven moment tegen z'n mensen zei: hier mag alles, je mag alleen geen "maar" zeggen. Toen zeiden ze natuurlijk "ja, maar stel …" en toen was het "nee, je mag geen "maar" zeggen". Vervolgens mocht inderdaad heel veel, waardoor bijvoorbeeld eenzaamheid enorm werd teruggedrongen. Na een jaar was die directeur heel erg boos. Hij zei: ik hoor iets heel belangrijks nooit van jullie, namelijk dat mensen euthanasie willen. Toen zeiden ze: ja, maar ze willen niet meer. Met andere woorden, zou je niet bij preventie ook kunnen denken aan dit soort elementen als het tegengaan van eenzaamheid en dergelijke, en kan de overheid daar ook nog een rol in vervullen?
De heer Dittrich (D66):
Ik vind het opkomen voor mensen die zich eenzaam voelen, proberen dat gevoel weg te nemen en die mensen begeleiding geven of iets dergelijks zodat ze zich niet of minder eenzaam voelen, belangrijk. Er zijn heel veel maatschappelijke organisaties en mensen die dat doen. Laten we ook niet vergeten dat mensen vaak familie en een vriendenkring en dat soort dingen hebben. Dus ik weet niet of daar een eerste rol voor de overheid is weggelegd. Maar dat eenzaamheid in de samenleving een probleem is, is inderdaad wel duidelijk.
Voorzitter. Ik wil doorgaan met mijn betoog. Ik wilde het hebben over nieuwe uitdagingen voor de rechtsstaat, namelijk de ontwikkeling van AI. Maar ik heb goed geluisterd naar mevrouw Veldhoen en ben het eigenlijk heel erg eens met de dingen die zij heeft gezegd en de vragen die zij heeft gesteld. Ik wil het dus tot één ding beperken en dat is dat wij nu heel erg van Amerikaanse techgiganten afhankelijk zijn. Dat zijn nou juist mensen die helemaal niet een gevoel hebben voor de democratische rechtsstaat, maar zich veel meer richten op commerciële belangen en hun eigen machtspositie. Mevrouw Veldhoen had het er ook al over dat AI-modellen vaak niet getest worden, terwijl het voorzorgsbeginsel er juist toe zou moeten leiden dat dat wel gebeurt. Daarom pleiten wij er ook voor dat er ook in EU-verband bekeken gaat worden hoe we regels aan AI kunnen stellen. Ik sluit me aan bij die vraag. Ik kijk ook naar de boeken van Marietje Schaake, die over de macht van big tech en de impact van technologie op de democratie geschreven heeft.
Uiteindelijk wil ik dit onderwerp afsluiten met de vraag: kan de minister aangeven hoe vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de rechtsstaat aan regulering van AI wordt gewerkt? Overigens kan het ook heel positief zijn, natuurlijk. Denk aan het opsporen van kinderporno. Dan kan AI ingezet worden, wat ontlastend is voor de rechercheurs, die normaal gesproken dagelijks, elke dag maar weer, vreselijke beelden moeten zien. AI kan ingezet worden om de schaal en patronen te ontdekken, waarna dan pas een menselijke beoordeling plaatsvindt. Mijn vraag aan de bewindslieden is dus: kunt u aangeven op welke positieve manieren AI ingezet kan worden om te helpen bij het oplossen van bestaande knelpunten?
Voorzitter. Dan wil ik nog stilstaan bij polarisatie en het functioneren van onze democratische rechtsstaat, want ook toenemende polarisatie kan onze rechtsstaat onder druk zetten. Mensen moeten zich gehoord en gezien voelen door de overheid, ook wanneer ze het niet eens zijn met het beleid. Discussies over bijvoorbeeld het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting leggen een groot beslag op de justitieketen en op gemeentes. Veiligheidsdiensten waarschuwen voor anti-institutionele sentimenten, maar aan de onderliggende oorzaken besteden we vaak minder aandacht. Negatieve polarisatie versterkt het wij-zijdenken en zet groepen tegenover elkaar. Dat blijkt uit allerlei rapporten die hierover verschenen zijn. Sociale media versterken dit proces doordat ophef, conflict en extreme standpunten vaak veel aandacht krijgen. Zo kan het publieke debat bijdragen aan belediging, haatzaaien, racisme, antisemitisme en discriminatie. De gevolgen voor de samenleving zijn groot. Het vertrouwen in de politiek en in instituties daalt. De samenwerking stokt en de afstand tussen groepen groeit. Mensen zien elkaar steeds vaker als tegenstander in plaats van als gesprekspartner.
Ook politieke uitingen spelen hierin een rol. Het rapport Tussen Kamer, krant en sociale media, van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, laat zien dat negatieve of discriminerende uitingen van politici over bevolkingsgroepen kunnen worden gevolgd door vergelijkbare uitingen op sociale media. En zo dreigt vijandige taal steeds normaler te worden. De vraag is natuurlijk: hoe keren we deze ontwikkeling? Moeten we lijdzaam toekijken of kunnen wij, vanuit onze rol als medewetgever en chambre de réflexion, bijdragen aan een ommekeer?
In de troonrede van 2026 zei de Koning: "De geest van redelijkheid en elkaar wat gunnen lost meer problemen op dan de voortdurende ophef die nu soms de overhand lijkt te hebben." Daarom stellen wij voor dat de Eerste Kamer een initiatief neemt voor een politieke partijen overstijgende verkenning naar de vraag hoe een respectvol inhoudelijk publiek debat kan worden bevorderd en negatieve polarisatie kan worden tegengegaan. Daarbij kunnen we gebruikmaken van bestaande rapporten. We kunnen bijeenkomsten organiseren. We kunnen vervolgens kijken welke rol wij als senaat daarbij kunnen spelen. Dus mijn vraag aan de collega's is of de collega's bereid zijn om aan zo'n gezamenlijke verkenning mee te werken, bijvoorbeeld via een tijdelijke werkgroep die aan een of meerdere commissies uit de Eerste Kamer een voorzet kan geven.
De heer Marquart Scholtz i (BBB):
Een heel interessante gedachte van de heer Dittrich. In dit verband zou ik graag een reflectie zien van de heer Dittrich op een uitlating van zijn voorman en de premier van alle Nederlanders, de heer Jetten, namelijk dat hij tegenstanders van lhbtq+ enzovoort "vol op de bek gaat slaan" en op het feit dat het hele congres van D66 daar volop voor applaudisseerde. Wat vindt hij daarvan?
De heer Dittrich (D66):
Ik heb ook gehoord dat de premier — "de heer Jetten", moet ik in dit geval zeggen — heeft gezegd dat dat een slip of the tongue was, dat het een emotionele reactie was.
De heer Marquart Scholtz (BBB):
Wil de heer Dittrich ons doen geloven dat dit een slip of the tongue was, terwijl er bij D66 sprake is van een georkestreerde propagandamachine, zeker op het congres, en elk woord van tevoren overwogen is?
De heer Dittrich (D66):
Dit laatste kan ik zeker niet onderschrijven.
De voorzitter:
Dank u wel. U was aan het einde van uw betoog.
De heer Dittrich (D66):
Mag ik nog een slotzin …
De voorzitter:
Nou, u bent al een minuut over uw tijd heen.
De heer Dittrich (D66):
28 seconden, zag ik.
De voorzitter:
Nou, ik heb het goed bijgehouden. Als de slotzin uit één zin bestaat, kan het.
De heer Dittrich (D66):
Dan zou ik willen zeggen dat wij met belangstelling de antwoorden van de bewindspersonen afwachten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat er toch nog een interruptie van de heer Nicolaï is.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Ik zal niet de vraag stellen wat de heer Dittrich nog had willen zeggen. Dat kan namelijk ook, maar zo spelen we het spel niet. Ik wil eigenlijk helemaal terug naar het begin van zijn betoog, toen hij refereerde aan een wetsontwerp dat ook hier langsgekomen is, waarbij we de algemene bepaling van de Grondwet hebben ingevoerd. Die algemene bepaling luidt: de Grondwet waarborgt grondrechten en de democratische rechtsstaat. Dat heeft de heer Dittrich ook voorgelezen. Mijn vraag is: is dat niet veel te sober? Dat staat dan nog los van het idee dat het volgens mij raar is om in de Grondwet te zetten wat de Grondwet doet, omdat mensen dat kunnen lezen.
Daar is een hele discussie aan voorafgegaan. Er lag ook een voorstel van de commissie-Thomassen. Die had gezegd dat er een algemene bepaling moest komen met drie leden. Ik lees het tweede lid even voor, en dan wil ik graag van de heer Dittrich horen of dat is wat hij bedoelde met zijn stelling: we moeten, als D66 en als Eerste Kamer, een meer werkelijke bescherming in de Grondwet leggen. Ik citeer: "De overheid eerbiedigt en waarborgt de menselijke waardigheid, de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen." Ik denk dat we dat allemaal zo vinden, maar als we dat in de Grondwet zetten, heeft dat dan niet een bepaalde waarde?
De heer Dittrich (D66):
Ik dank de heer Nicolaï voor die vraag. Ik kan me herinneren dat we in deze zaal het debat over die, laten we zeggen, preambule voor de Grondwet gevoerd hebben. Dit citaat is toen inderdaad aan de orde geweest. Dat steunen wij, maar de tekst die toen voorlag, was een andere. Dat is de tekst waar wij met een tweederdemeerderheid voor gestemd hebben. Dat geeft dus al een kader aan voor hoe wij naar de Grondwet kijken. In antwoord op de vraag van de heer Nicolaï zou ik eraan willen toevoegen dat wij het belangrijk vinden dat de grondrechten getoetst kunnen worden door de rechters, en dan niet alleen de klassieke grondrechten, maar ook de sociale grondrechten. Dat geeft namelijk veel meer body en leven aan de Grondwet. Daar kunnen de burgers in Nederland via de rechtspraak dan ook hun voordeel mee doen.
De heer Schalk (SGP):
Ik kom nog heel even terug op het laatste punt van de heer Dittrich. Het is denk ik een heel interessante gedachte om te kijken wat deze Kamer zelf kan betekenen als het gaat over polarisatie. Hij noemde de term "negatieve polarisatie". Ik zou hem willen vragen: is er ook positieve polarisatie en is die juist weer wel gunstig? Op welke manier kun je dat wegen? Of is dat juist iets wat zo'n werkgroep zou moeten onderzoeken?
De heer Dittrich (D66):
Dank voor deze vraag. In de literatuur en de onderzoeken die ik daarover gelezen heb, wordt hiertussen een onderscheid gemaakt. Polemiek in het publieke of politieke debat is natuurlijk goed. Er zijn verschillende meningen en die kunnen ook botsen en schuren; dat is allemaal niet het probleem. Het gaat erom dat bij negatieve polarisatie bevolkingsgroepen als het ware worden weggezet en zich niet meer verbonden weten met de samenleving. Dat raakt de rechtsstaat. Kijk naar het rapport van de AIVD; die heeft daar uitgebreid over geschreven. Dat vraagt, in onze ogen, toch een reactie van de Eerste Kamer. Kunnen wij daar een rol in spelen? Zouden we daarover in zo'n tijdelijke werkgroep verder van gedachten kunnen wisselen en zouden we dan tot een bepaalde uitkomst kunnen komen?
De heer Schalk (SGP):
Als ik het goed begrijp, is het dus geen werkgroep die met allerlei rapporten en plannen komt, maar een werkgroep die verkent waar het fout gaat en wat eventueel de rol van de Eerste Kamer zou kunnen zijn.
De heer Dittrich (D66):
U hebt dat goed samengevat.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Een korte vraag over de Grondwet. Mijn fractie stoort zich al lang aan het feit dat in de Grondwet steeds meer groepen worden genoemd die je niet mag discrimineren, terwijl … We hebben het al een paar keer gezegd: doe dat nou überhaupt niet; discriminatie in het algemeen is niet toegestaan. Het blijft heel bizar, vindt mijn fractie, dat leeftijd er niet bij staat, want dat raakt de hele bevolking. Je mag blijkbaar wel discrimineren naar leeftijd. Er komen nu heel veel factoren op basis waarvan je niet mag discrimineren, maar leeftijd ontbreekt daarbij. Als we er toch over nadenken, vindt u dan niet dat dat meegenomen zou kunnen worden?
De heer Dittrich (D66):
Sterker nog, er was indertijd een initiatiefvoorstel van Henk Krol om leeftijdsdiscriminatie ook op te nemen in artikel 1 van de Grondwet. Daar heb ik me toen voor uitgesproken. Ik moet er wel meteen bij zeggen dat daartegen allerlei bezwaren geopperd werden, onder andere door de Raad van State, dus het heeft nooit de drempel gehaald. Dat mensen niet gediscrimineerd mogen worden op grond van hun leeftijd, vind ik een heel belangrijk beginsel en wat mij betreft hoort dat thuis in het rijtje van artikel 1 van de Grondwet.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Vindt u dat het ook meegenomen zou moeten worden in de werkgroep die u voorstelt en die we hier dan eventueel met elkaar gaan vormen, of staat het er los van?
De heer Dittrich (D66):
Die werkgroep gaat natuurlijk meer over negatieve polarisatie, haatzaaien en dat soort dingen. Ik zou daarin wel een zekere beperking willen aanbrengen, maar de gedachte om leeftijdsdiscriminatie tegen te gaan, vind ik een hele belangrijke.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Doornhof. Hij spreekt namens het CDA.