Plenair Van Apeldoorn bij behandeling Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau



Verslag van de vergadering van 26 oktober 2026 (2026/2027 nr. 05)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 17.57 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Voorzitter, dank. Goede en onafhankelijke journalistiek is essentieel voor het functioneren van onze democratische rechtsstaat. Dat geldt uiteraard op landelijk niveau, maar zeker ook lokaal. Natuurlijk moeten de Haagse politiek en de regering kritisch gevolgd worden, maar vaak is het juist de lokale politiek die het dagelijkse leven van mensen direct raakt, zoals de gemeenteraad die besluit dat een buurthuis gesloten moet worden. Wie stelt dan kritische vragen? Wie zoekt uit waarom dat besluit genomen werd, wat de gevolgen zijn en of er geen goede alternatieven waren? Dat is de lokale journalistiek, die dicht bij de mensen staat. Als zij haar taak goed vervult, is zij geworteld in stad, streek, wijk en buurt. Sinds de decentralisaties gaan gemeenten bovendien ook over jeugdzorg, de zorg thuis, en werk en inkomen. Tegelijkertijd rukt desinformatie ook lokaal op via sociale media en maakt AI nepnieuws steeds lastiger te onderscheiden van echt nieuws. Juist dan hebben we onafhankelijke journalisten nodig die feiten controleren en de macht controleren, ook juist de lokale macht.

Daar schort het al jaren aan. De Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor Cultuur concludeerden in 2019 en 2020 al dat lokale omroepen hun democratische functies niet naar behoren waar kunnen maken. De WRR spreekt van een verschraling van het lokale journalistieke aanbod, waardoor inwoners achterblijven in hun informatiepositie en de lokale macht vrij spel heeft. De regering onderschrijft die analyse in de memorie van toelichting. Sterker nog, zij brengt in herinnering dat het een overheidstaak is om de onafhankelijkheid, verscheidenheid en kwaliteit in de media zeker te stellen. Ziet de regering daarmee dan met ons dat goede lokale journalistiek een publieke voorziening is? Als de minister dat ook zo ziet, moet daar dan ook een publieke financiering bij horen die adequaat is, zo vraag ik de minister. Hoe zorgen we ervoor dat die adequaat is? Ik kom daar zo nog op terug.

Voorzitter. Mijn fractie steunt de richting van dit wetsvoorstel. Het is goed dat de bekostiging van de gemeente naar het Rijk overgeheveld wordt. Het was altijd al een problematische constructie dat een lokale omroep financieel afhankelijk was van precies het gemeentebestuur dat die omroep kritisch moest volgen. Een op de zeven lokale omroepen gaf in een onderzoek aan door gemeentebestuurders onder druk te zijn gezet om nieuws aan te passen. Dat is uiteraard zeer zorgelijk. Maar bij de voorgenomen schaalvergroting die in het wetsvoorstel besloten is, zijn wel kritische kanttekeningen te plaatsen. Voorgaande sprekers hebben daar ook aandacht voor gevraagd. Grotere omroepen kunnen verder van de lokale gemeenschap komen te staan, waarschuwde ook de Raad van State. Dan is het risico dat een klein dorp het aflegt tegen de grotere stad niet denkbeeldig. Veel zorgen op dit punt zijn ook in de Tweede Kamer geadresseerd en deels ook door amendementen ondervangen. Toch de vraag: hoe zorgt de minister ervoor dat ook binnen die grotere gebieden, dus de nieuwe verzorgingsgebieden, de verscheidenheid aan stemmen en perspectieven zichtbaar blijft, zoals artikel 2.1 van de Mediawet vraagt? Een omroep kan de streek als geheel goed bedienen, maar dan blijft misschien toch verborgen dat één gemeente binnen die streek stelselmatig achterblijft. De collega van D66, collega Karaaslan, stelde hier ook goede vragen over wat ons betreft.

Voorzitter. Voor de SP gaat het erom dat inwoners kunnen rekenen op sterke, onafhankelijke journalistiek over hun eigen leefomgeving en dat de mensen die deze journalistiek maken, hun werk onder goede omstandigheden kunnen doen. De vraag is dan: zijn met deze wet alle randvoorwaarden vervuld voor die goede, onafhankelijke lokale journalistiek of is er meer nodig? Mijn fractie heeft op nog twee punten vragen. Het eerste punt gaat over de mensen die het werk doen. Oud-SP-Kamerlid Peter Kwint kaartte in 2022 al de slechte betaling van journalisten en freelancers aan. Voor lokale omroepen bestaat nog altijd geen cao. De minimumtarieven voor freelancers bij de landelijke en regionale publieke omroep gelden daar niet. Het is goed dat de NLPO de wettelijke taak krijgt om cao's en normen voor de honorering van freelancers af te spreken, maar een wettelijke taak is nog geen fatsoenlijk loon. Wanneer verwacht de minister een cao? Wat als die afspraken niet of onvoldoende tot stand komen? Wie is er dan verantwoordelijk? Ten slotte op dit punt: hoe voorkomt de minister dat journalisten bij de overgang naar het nieuwe stelsel hun baan verliezen? Tot goede omstandigheden behoort ook veiligheid. Hoe wordt gewaarborgd dat ook lokale freelancers, die vaak geen werkgever achter zich hebben, bij bedreiging en intimidatie steun krijgen, bijvoorbeeld van PersVeilig?

De tweede serie vragen gaat over het geld. Daar is eerder al veel over gezegd, in de Tweede Kamer en ook vandaag in het debat, dus ik hou het kort. Vanaf 2028 is 31 miljoen euro beschikbaar voor maximaal 80 lokale omroepen. Erkent de minister dat dat bedrag niet is bepaald door wat nodig is, maar door wat in de begroting paste? Is zij bereid het budget op te hogen als bijvoorbeeld blijkt uit de monitoring, waar de motie-Mohandis/Oualhadj om vraagt, dat er tekorten zijn ontstaan, zonder te wachten op de evaluatie van het wetsvoorstel? Collega Roovers van de fractie PRO stelde daarbij ook een aantal goede vragen over de aanvullende financiering en de tekorten die daar mogelijk bij zullen ontstaan. Ik sluit me graag aan bij de eerder daarover gestelde vragen vanuit de PRO-fractie. De vraag is dus of er eigenlijk wel voldoende geld is en of er geen tekorten gaan ontstaan, zeker bij bepaalde omroepen. Het geld dat nu al beschikbaar wordt gesteld en er mogelijk nog bij moet komen, moet wel naar verslaggevers gaan en niet naar vergadertafels van nieuwe managementlagen. Het moet ook niet gaan naar dikke salarissen aan de top. Hoe hoog, vraag ik de minister, wordt het nieuwe maximum voor de lokale omroepen? Dat is mij nog niet duidelijk. De minister heeft daar eerder aan gerefereerd, ook in de Tweede Kamer.

Voorzitter. Ik rond af. Ik begon met het buurthuis en de vraag of daar straks iemand is die die kritische vragen kan stellen. Daar gaat het om. Met dit wetsvoorstel wordt wat mijn fractie betreft een noodzakelijk fundament gelegd, maar een fundament is nog geen huis. Mijn fractie staat in principe positief tegenover dit wetsvoorstel, maar hecht wel aan duidelijke antwoorden. Op een aantal punten zijn we nog niet gerustgesteld. Daarom kijk ik uit naar de beantwoording van de minister.

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Wenst een van de leden nog het woord in eerste termijn? Dat is niet het geval. Dan schors ik de vergadering voor de dinerpauze tot 19.00 uur.