Plenair Dittrich bij voortzetting behandeling Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring



Verslag van de vergadering van 13 oktober 2026 (2026/2027 nr. 04)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 19.00 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich i (D66):

Voorzitter. Ik wil allereerst een compliment maken aan de minister. Hij heeft op een gegeven moment gezegd — dat hoor je niet vaak van ministers op deze portefeuille — dat een sluitend systeem niet helemaal mogelijk is. Hij zei daar eerlijk over te willen zijn, want er zullen situaties zijn waarin de overheid wil dat mensen Nederland verlaten, maar dat het om allerlei redenen toch niet lukt. Misschien vertrekken mensen wel met onbekende bestemming. Ik vind dit belangrijk omdat in het publieke debat mensen soms net doen of het allemaal zo eenvoudig is: "sluit de grenzen, pak de mensen op die hier niet mogen zijn en zet ze uit" en "derde landen moeten daaraan meewerken". Hierbij spelen zo veel factoren een rol. Ik vind het goed dat we de realiteit onder ogen zien en binnen de grenzen die de realiteit biedt, zo veel mogelijk doen om dit probleem aan te pakken.

Ik kom bij de dwangsommendiscussie. Dat is best een lastig punt. Ik ben gerustgesteld doordat de minister zegt te gaan kijken hoe het in de praktijk allemaal werkt en het te gaan monitoren. Als de situatie met de IND zich normaliseert, komen allerlei opties op tafel. Een van die opties is wat mevrouw Thijssen naar voren bracht — die spreekt mij erg aan — namelijk dat geen procedures meer worden gevolgd, maar dat een vast bedrag wordt vastgesteld. Ook kan de dwangsom weer als prikkel worden ingevoerd. Er zijn ook andere mogelijkheden. Ik kan me voorstellen dat mensen niet zo zitten te wachten op herinvoering van de dwangsom. Al die mogelijkheden moeten bekeken en besproken kunnen worden in een open en realistisch debat. Ik vond dat een prettige toezegging. Ik hoop — dat moet ik er ook bij zeggen — dat als de dwangsom wordt afgeschaft en de IND aan het werk gaat met het wegwerken van de achterstanden, de rechter ook honoreert wat wij hier in de wet hebben afgesproken. Dat zullen we zien. Daar valt hier niet op vooruit te lopen.

Als ik naar het hele debat kijk en naar wat voor ons ligt, is de uitvoering in de praktijk cruciaal. We kunnen niet anders zeggen dan dat de fractie van D66 afwacht hoe dat in de praktijk uitpakt. Nu zijn er weer extra problemen gekomen door de uitspraak over de Oekraïners en de zaken die daaraan verbonden zijn. Ik moet toch zeggen dat wij het gevoel hebben dat er van alles aan wordt gedaan om de problemen die er zijn op te pakken, met extra geld, extra bevoegdheden voor de IND, en extra personeel. Heel veel meer kun je als overheid niet doen. Dat brengt ons tot de afweging om voor dit wetsvoorstel te stemmen.

De heer Nicolaï i (PvdD):

De heer Dittrich heeft in de eerste termijn een scherpe vraag gesteld, namelijk of het zich wel verdraagt met artikel 47 van het EU-Handvest. Hij heeft gezegd: het is echt wel nodig dat de minister mij vertelt wat dan dat alternatieve rechtsmiddel is dat beschikbaar komt als die dwangsombevoegdheid wordt weggenomen. Daar heeft de minister geen antwoord op gegeven.

De heer Dittrich (D66):

Ja, de minister heeft daar wel een antwoord op gegeven, maar het is een antwoord dat u misschien niet zint. De minister heeft gezegd dat hij er alles aan gaat doen om de bron aan te pakken en de IND in een positie te brengen dat die zo veel mogelijk zaken kan afdoen en haar werk goed kan doen. Naarmate dat zich normaliseert, zou er een situatie kunnen ontstaan dat er een mindere prikkel nodig is. Aan de andere kant weten we dat de rechter de bevoegdheid heeft om een extra termijn te stellen. Dat staat trouwens ook in dit wetsvoorstel. Als de IND die extra termijn niet kan honoreren en dus nog steeds niet met een beslissing komt, krijgen we de vraag wat de vreemdeling dan kan doen. Hij zal wellicht een voorlopige voorziening gaan vragen en dan komen we in het vaarwater dat de heer Nicolaï in zijn termijn naar voren heeft gebracht. We moeten dan afwachten hoe de rechter daarop reageert. Het is helemaal niet van tevoren te voorspellen dat rechters dan weer dwangsommen gaan opleggen, maar helemaal uitsluiten kunnen we dat niet.

De heer Nicolaï (PvdD):

Maar mijn vraag was niet wat de rechter dan gaat doen. Mijn vraag was wat de rechter gaat doen met deze bepaling in dit wetsontwerp. Hij kan die buiten toepassing laten als het in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest. Daar zal hij naar kijken. In het Handvest staat dat er een effectief middel moet zijn. Bij de eerste uitspraak in 2022 heeft de afdeling gezegd: dat is of een bestuurlijke dwangsom of een ander middel. Een ander middel staat er nu niet in. Een ander middel heeft de minister ons vandaag niet genoemd. De minister heeft gezegd hoe hij gaat proberen de zaak zo op te poetsen dat het allemaal nog wel mee zal vallen, maar er is geen ander middel beschikbaar. Als bij wijze van spreken volgende week dit wetsontwerp in werking treedt, gaat de minister kennelijk nog allerlei dingen doen en bekijken enzovoort, maar er is dan geen ander middel voor de vreemdeling om af te dwingen dat een uitspraak van de bestuursrechter dat binnen een bepaalde termijn een beslissing moet worden genomen, ook wordt opgevolgd. Dat kan de heer Dittrich toch alleen maar toegeven?

De heer Dittrich (D66):

Wat ik daarop zou willen zeggen, klinkt een beetje flauw, maar in de politiek zeggen we altijd dat die als-danvragen lastig te beantwoorden zijn. Ik zou dan de heer Nicolaï willen antwoorden: stel dat de rechter daartoe overgaat, dan weet ik zeker dat in de Tweede Kamer onze collega's deze minister meteen bij zich zullen roepen en een debat zullen organiseren over de vraag hoe we dan met die situatie omgaan. Maar om al van tevoren ervan uit te gaan dat de rechter dit bijvoorbeeld onverbindend zou verklaren, gaat mij te ver.

De voorzitter:

Dank u wel, dan geef ik graag het woord aan de heer Lievense van de BBB.