Verslag van de vergadering van 22 september 2026 (2026/2027 nr. 01)
Status: gecorrigeerd
Aanvang: 11.14 uur
De heer Dittrich i (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal ook namens D66 het woord voeren. Hartelijk dank daarvoor.
Graag begin ik met een stukje uit het boek Nooit geschreven brief aan mijn vader, van Karima Ouchan. Ik citeer: "De overtocht verliep spoedig. Maar toen we eenmaal op Marokkaanse bodem stonden in Tanger stapte je uit de auto, sloeg je je armen over elkaar, keek me aan en zei toen met een grijns op je gezicht: 'Nu zie je Nederland nooit meer terug.' Ik stond met mijn oren te klapperen, ik was in de val gelopen ..." Even verderop schrijft Karima: "Waarde vader, in mijn gevangenschap was ik gedegradeerd tot hulp in de huishouding. Ik moest de werkzaamheden uitvoeren die mijn stiefmoeder mij opdroeg. 'Vandaag moet je de was doen, moet je de trappen schrobben, moet je het dakterras vegen, moet je de planten verpotten.' Als ik geen gevolg gaf aan een van haar orders en jij kreeg dat te horen, dan pakte je me hardhandig aan." Na twaalf jaar als slavin te zijn gebruikt, te zijn gekleineerd, geïsoleerd en opgesloten en fysiek en geestelijk te zijn mishandeld, wist Karima te ontsnappen. Na Kamervragen en het gebruik van de toen nog bestaande en soms node gemiste discretionaire bevoegdheid door de staatssecretaris van Justitie kon zij uiteindelijk naar Nederland terugkeren.
Het verhaal van Karima laat zien hoe uiteenlopend de situaties kunnen zijn die onder het wetsartikel mensenhandel kunnen vallen. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, gaat in de kern over de vraag hoe we die verschillende vormen van mensenhandel beter en duidelijker kunnen aanpakken. Het gaat om uitbuiting van mensen, om situaties waarin iemand door dwang, misleiding of misbruik van een kwetsbare positie in een situatie terechtkomt waarin diegene niet meer vrij is om over het eigen leven en handelen te beschikken. Het belang van het wetsartikel is groot: mensenhandel is niet alleen een ernstig misdrijf, het raakt ook aan de fundamentele vrijheid en menselijke waardigheid van slachtoffers. Tegelijkertijd zijn de situaties waarin mensen worden uitgebuit natuurlijk heel verschillend. Daarom moet de wettekst duidelijk zijn, zodat slachtoffers worden beschermd en daders daadwerkelijk kunnen worden aangepakt.
Ik zei het al: het wetsvoorstel ziet op hele verschillende vormen van uitbuiting. In het geval van Karima was sprake van list en bedrog door haar vader, met het oogmerk zijn vernederlandste dochter, die in de eindexamenklas van de havo in Amersfoort zat, in Marokko tegen haar wil in als onbetaalde hulp in de huishouding van zijn tweede vrouw te gebruiken. Dit voorbeeld brengt mij eigenlijk bij de eerste vraag over de reikwijdte van de nieuwe wetsartikelen. Karima had de Marokkaanse nationaliteit, ook al woonde ze tot het moment waarop haar vader haar naar Marokko meenam, in Nederland. Haar vader had ook de Marokkaanse nationaliteit, maar hij had wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Als we kijken naar artikel 7, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, dan zien we dat iemand met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voor de toepassing van dat artikel gelijkgesteld wordt aan een Nederlandse verdachte. Dat artikel 7 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt in welke gevallen Nederland ook rechtsmacht heeft over strafbare feiten die buiten Nederland zijn gepleegd. Dat wordt ook wel "de extraterritoriale werking van het strafrecht" genoemd, en is bijvoorbeeld bij vrouwenbesnijdenis het geval.
Maar artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, dat is dus het artikel over mensenhandel, wordt op dit moment niet genoemd in artikel 7, lid 2, onder a. Daarom is mijn vraag aan de minister: zou mensenhandel daar niet ook onder moeten vallen? Is de minister bereid om bij toekomstige wetsvoorstellen over mensenhandel — dat kan al heel snel, bijvoorbeeld bij de uitvoeringswet richtlijn mensenhandel, waar ik later nog op terugkom — artikel 7 uit te breiden met de relevante mensenhandelbepalingen? Ik zou op dit punt graag een toezegging van de minister willen.
Mevrouw de voorzitter. Het wetsvoorstel is uitgebreid besproken in de Tweede Kamer, en ook in de Eerste Kamer hebben we twee schriftelijke rondes gehad en ook nog een brief van de minister over het wetsvoorstel. Toch willen we stilstaan bij het element huwelijksuitbuiting. Mensenhandel moet, zo staat in de wettekst, altijd verricht worden met het oogmerk van uitbuiting van een persoon. Als gevolg van een amendement staat nu in de wettekst in lid 5, onder g, dat uitbuiting ten minste uitbuiting van een persoon omvat bij gedwongen huwelijken. Op zichzelf is dat logisch, maar tegelijkertijd heeft Femmes for Freedom ons erop geattendeerd dat er ook huwelijken zijn die niet gedwongen zijn gesloten, maar die wel kunnen leiden tot mensonterende uitbuitingssituaties.
Op vragen hierover van de Eerste Kamer heeft de minister zijn antwoorden vooral toegespitst op de gedwongen huwelijken. Daarom zouden wij graag klip-en-klaar een uiteenzetting van de minister willen horen dat het uitbuitingselement ook buiten gedwongen huwelijken kan worden vervuld, bijvoorbeeld bij een huwelijk dat vrijwillig was gesloten, maar verworden is tot zo'n uitbuitingssituatie. Kan zo'n situatie ook als mensenhandel worden gekwalificeerd? Als we artikel 273f, lid 5 lezen, dan zou je kunnen concluderen dat uitbuiting arbeid of diensten omvat die gedwongen of verplicht zijn of praktijken die met slavernij te vergelijken zijn. Maar zou het niet beter zijn als expliciet in de wettekst komt te staan dat uitbuiting binnen het huwelijk strafbaar is? Dat komt tegemoet aan de eisen van rechtszekerheid, kenbaarheid en het biedt ook erkenning aan de rechtspositie van het slachtoffer. Het maakt voor iedereen duidelijk dat uitbuiting in de privésfeer onder het bereik valt van mensenhandel als delict.
Nog deze maand behandelt de Tweede Kamer een wetsvoorstel dat uitvoering geeft aan de nieuwe Europese richtlijn over mensenhandel. Onze vraag aan de minister is de volgende. Is de minister bereid om in die wettekst, die dus nog in de Tweede Kamer moet worden behandeld, een verduidelijking aan te brengen, bijvoorbeeld bij nota van wijziging, waarmee huwelijkse uitbuiting expliciet als vorm van mensenhandel in artikel 273f wordt opgenomen?
Dezelfde vraag heb ik bij een vader-dochterrelatie, zoals bij Karima. Is de wettekst zoals die nu luidt in de geamendeerde vorm daarvoor voldoende duidelijk? Wij snappen dat er in dat wetsartikel een enumeratieve opsomming staat en niet een limitatieve opsomming, maar toch horen wij graag hoe de minister daartegen aankijkt. In elk geval voor de wetsgeschiedenis is het belangrijk dat de minister in dit debat het punt naar voren brengt van niet-gedwongen huwelijken en andere relatievormen, zoals een vader-dochterrelatie, waarbij slavernijachtige taferelen zich voordoen, als mensenhandel te kwalificeren.
Mevrouw de voorzitter. Dan nog een aantal overige punten. We snappen dat de aangifteplicht zoals die als gevolg van een amendement is geformuleerd, in de wettekst is terechtgekomen. Dat is belangrijk voor slachtoffers. Maar er zit toch ook een andere kant aan, want het zou mensen juist kopschuw kunnen maken om signalen van uitbuiting met anderen te delen. Daarmee zou een maatregel die bedoeld is om mensenhandel beter te bestrijden, mogelijk juist een averechts effect kunnen hebben. Aangifte kan verstrekkende gevolgen hebben voor de veiligheid van het slachtoffer en diens naaste omgeving. Aangifte door anderen kan tot onvrijwillige outing leiden, naar familie en de sociale omgeving, en tot verlies van inkomen en werk, als het bijvoorbeeld gaat om sekswerk. Dient niet het belang van het slachtoffer voorop te staan en niet de plicht voor anderen om aangifte te doen? Hoe kijkt de minister daartegenaan? Kan het problemen opleveren? Is de minister bereid om bijvoorbeeld bij de invoeringstoets na één jaar of bij de evaluatie na vijf jaar te kijken hoe een en ander heeft plaatsgevonden en is uitgekristalliseerd?
Een ander punt is artikel 71, sub 3, van het Wetboek van Strafrecht. Dat regelt een verlengde verjaringstermijn, zoals bij vrouwenbesnijdenis van minderjarigen. De vraag is waarom artikel 273f eigenlijk niet onder dat verjaringsartikel is vervat.
Het misdrijf van ernstige benadeling op de arbeidsmarkt is een ander onderdeel van dit hele wetsvoorstel. Dat is artikel 273fa van het Wetboek van Strafrecht. Daar hebben we ook nogal wat vragen over. Uit een nadere uitwerking blijkt dat slachtoffers van ernstige benadeling niet zonder meer dezelfde bescherming en voorzieningen krijgen als slachtoffers van mensenhandel. De gemeenten en de Arbeidsinspectie hebben gepleit voor de strafbaarstelling van ernstige benadeling, omdat het voorkomt dat bij ernstige uitbuiting de voor mensenhandel vereiste elementen niet of moeilijk kunnen worden bewezen. Wanneer slachtoffers na een melding het risico lopen dat hun situatie wordt afgeschaald van mensenhandel naar ernstige benadeling en zij daardoor mogelijk op termijn recht op voorzieningen verliezen, kan dit een belangrijke reden zijn voor mensen om juist niet te melden dat ze uitgebuit worden. We moeten natuurlijk voorkomen dat slachtoffers tussen wal en schip vallen.
Met de introductie van ernstige benadeling ontstaat naar onze opvatting wat onduidelijkheid over de positie van een nieuwe groep slachtoffers. Het is onduidelijk wie nu verantwoordelijk is voor de opvang en de ondersteuning wanneer iemand slachtoffer is van ernstige benadeling en op welke voorzieningen deze persoon een beroep kan doen. Volgens de uitvoeringstoets die gehanteerd is rond dit wetsvoorstel, is eigenlijk niemand verantwoordelijk voor opvang en ondersteuning en kunnen slachtoffers van ernstige benadeling geen gebruikmaken van de bestaande landelijke opvangvoorzieningen. Het is onduidelijk of van gemeenten wordt verwacht dat zij voor deze groep lokaal nieuwe opvangcapaciteit gaan organiseren. Wanneer slachtoffers van ernstige benadeling geen recht hebben op bestaande voorzieningen, kunnen zij ook niet automatisch terecht in gemeentelijke opvangvoorzieningen, waaronder de gespecialiseerde opvang van slachtoffers van mensenhandel. Er zijn maar een paar gemeenten die beschikken over dergelijke gespecialiseerde opvang. Deze voorzieningen kunnen niet eenvoudig worden opengesteld voor alle slachtoffers van ernstige benadeling. Het risico bestaat daardoor dat slachtoffers op straat belanden, met alle gevolgen van dien.
Dakloosheid is nu al een groeiend probleem en uit onderzoek blijkt dat veel daklozen arbeidsmigranten waren die hun werk, hun huisvesting en hun inkomen verloren. Daarom is het van groot belang dat de minister bij de invoering van deze wet voorkomt dat in de praktijk nieuwe problemen gaan ontstaan doordat mensen tussen wal en schip vallen. Gemeenten hebben een belangrijke rol in de aanpak van mensenhandel en in het verlenen van hulp en opvang, uiteraard binnen de verantwoordelijkheden die bij de gemeenten zijn belegd. Daarom is het van groot belang dat gemeenten en maatschappelijke organisaties tijdig worden betrokken bij de uitwerking en de uitvoering van de wet en dat ook vooraf duidelijk is wat van hen wordt verwacht. Daarom is er regie nodig vanuit het Rijk om voldoende opvang en ondersteuning mogelijk te maken. Daar hoort natuurlijk ook adequate financiering bij, volgens de geldende regelgeving. Wil de minister ons toezeggen te voorzien in een landelijk en duidelijk beschermingskader voor slachtoffers van ernstige benadeling, daarbij de vinger aan de pols te houden en bij de invoeringstoets daarop terug te komen?
Mevrouw de voorzitter. Tussen 12 en 16 oktober is de Week tegen Mensenhandel. Kan de minister ons schetsen hoe de overheid daar aandacht aan gaat besteden? Dat gaat niet alleen om de Rijksoverheid maar ook om bijvoorbeeld de gemeenten, in samenwerking met maatschappelijke organisaties. Is er een publiekscampagne belegd, met voorlichting voor het publiek? Dat horen we graag.
Mevrouw de voorzitter, ik ga afronden. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de aanpak van mensenhandel te versterken en de wet beter te laten aansluiten bij de verschillende vormen waarin uitbuiting zich kan voordoen. Dat is van groot belang. Slachtoffers zoals Karima Ouchan, uit het voorbeeld waar ik mee begon, en al die naamloze anderen gaan schuil achter de juridische bepalingen waarover wij vandaag spreken. Hun vrijheid, hun veiligheid en hun waardigheid zijn in het geding. Met de vragen die wij vandaag hebben gesteld, en hopelijk met de antwoorden van de minister daarop, willen wij het doel van het wetsvoorstel nog meer tot zijn recht laten komen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Marquart Scholtz. Hij spreekt namens de BBB.