Toezegging Toezenden tweede brief met verbeterd overzicht van autonome en medebewindtaken, inclusief juridische grondslag, kosten, mate van beleidsvrijheid en sturingsmogelijkheden en beschouwing over BFU. Ook zegt minister toe Integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies uit te breiden (36.800 B en C)
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV) en Van der Goot (OPNL), toe naar aanleiding van het rapport van de commissie-Polman, de adviezen van de ROB en de motie-Fiers een verkenning uit te voeren naar de financiële posities van medeoverheden en de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht door met de vakministeries, medeoverheden en de ROB in gesprek te gaan. Het doel van de verkenning is om inzicht te geven in en het overzicht van de medebewindstaken te verkrijgen, versterken en borgen. De minister zal de Kamer hier tenminste twee keer over de voortgang informeren.
De minister zegt een tweede brief toe die hij probeert begin november aan de Kamer te doen toekomen, waarbij hij uitgebreider ingaat op het verbeterde overzicht van autonome en medebewindstaken, inclusief wettelijke. Het betreft een verdieping van het onderzoek Beleidsvrijheid geduid, dat de ROB in 2019 heeft uitgevoerd. Het gaat hierbij concreet om een lijst met belangrijke medebewindstaken per taakveld over de volledige breedte van het gemeentelijke en provinciale activiteitenpakket. Hierin wordt per taakveld inzicht gegeven in de kosten, de mate van beleidsvrijheid en de ontwikkelingen hierin, van taken in het bijzonder die van grote omvang, naar aanleiding van de wettelijke grondslag en het onderscheid in de variaties van het medebewind, en de sturingsmogelijkheden voor gemeenten en provincies hierbij. Daarnaast staat hierin onder andere de nadere duiding hoe de bijzondere fondsuitkering, de BFU, onderdeel van de te wijzigen Financiële-verhoudingswet, kan bijdragen aan een betere monitoring van taken en aan een beter gesprek hierover, zowel tussen Rijk en koepels als tussen kabinet en de Kamer. Verder is de minister voornemens om het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies, waarmee de Kamer jaarlijks wordt geïnformeerd over de financiële positie van gemeenten uit te breiden met informatie over de beleidsvrijheid per taakveld, de ontwikkeling hierin ook in relatie tot de lasten.
| Nummer | T04225 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 15 juni 2026 |
| Deadline | 1 december 2026 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties |
| Kamerleden | drs. M.C.T. Fiers (PRO) drs. A.Sj. van der Goot (OPNL) A.W.J.A. van Hattem (PVV) |
| Commissie | commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | Financiële-verhoudingswet gemeentefonds medebewindstaken provinciefonds Rapport commissie-Polman ROB, adviesaanvragen |
| Kamerstukken | Begrotingsstaat provinciefonds 2026 (36.800 C) Begrotingsstaat gemeentefonds 2026 (36.800 B) |
Handelingen I 2025/2026, nr. 33, item 3, p. .
De heer Van Hattem (PVV):
Voorzitter. Dan heb ik nog een aantal andere punten die een overlap hebben met het gemeentefonds. Bij het provinciefonds en het gemeentefonds heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur net als diverse fracties in deze Kamer aangegeven behoefte te hebben aan helderheid en een inventarisatie van de taken van deze respectievelijke bestuurslagen. De minister heeft geen duidelijk antwoord op de gestelde vragen. Zo wordt ten aanzien van de fondsen gesteld dat de groei van het fonds niet meer aan specifieke taken kan worden toegerekend. De fondsen komen ten goede aan de algemene middelen. Provincies hoeven daarvoor geen verantwoording aan het Rijk af te leggen. Ze zijn weliswaar verplicht om voor medebewindstaken benodigde middelen in de begroting op te nemen, maar hierbij geldt een aanzienlijke ruimte voor effectief en doelmatig beleid. "Omdat de middelen uit de fondsen niet zelf geoormerkt zijn, is het mogelijk dat provincies integraal beleid maken over de taakvelden heen", citeer ik uit de reactie. Een concrete inventarisatie wil het kabinet niet geven. Het blijft bij: "We gaan kijken hoe monitoring kan bijdragen aan een beter gesprek over de balans tussen taken en middelen". Dat is niets. Dat is totale leegte.
Inzicht in de taken is van cruciaal belang, zeker gelet op de koppeling tussen enerzijds budgetten in het provinciefonds voor medebewindstaken en anderzijds de autonome beleidsvrijheid. Waarom zou over medebewindstaken geen verantwoording moeten worden afgelegd aan de minister? Het integrale beleid over taakvelden heen maakt nou juist dat de "wie-wat-waar-wanneer-en-waarom"-vragen, die juist op decentraal niveau erg belangrijk zijn, niet meer kunnen worden gesteld. Graag een reflectie hierop van de minister.
Hoewel er uiteraard bevoegdheden ten aanzien van autonoom beleid bestaan, valt op dat de provincies allerlei taken naar zich toe trekken. Dat uit zich ook in het structureel maken van kosten die feitelijk niet structureel zijn. Ook is dat zichtbaar aan het alsmaar uitdijende IPO, met een steeds hogere begroting en met steeds meer taken die bij het IPO terechtkomen. En dat terwijl het IPO een privaatrechtelijke organisatie is, die dus niet onder het publiekrecht valt. Bij de provincie heb ik de uitdijende IPO-rol weleens aangeduid als IPO-besitas. Daar moeten we toch eens een dieet op zetten.
Onduidelijkheid over de medebewindstaken maakt ook de autonome beleidsruimte onduidelijk, wat omgekeerd ook zorgt voor aantasting van de decentrale autonomie. Graag een reflectie hierop van de minister.
Minister Heerma:
(…)
Eerst zal ik kort iets zeggen over deze vier lijnen en dan zal ik komen tot de beantwoording van de in dit debat gestelde vragen. De eerste lijn betreft het versterken van de samenleving. Nederland staat voor grote maatschappelijke opgaven. Het realiseren daarvan lukt alleen als het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen elkaar vinden en met elkaar samenwerken. Recentelijk werd dat benadrukt in het rapport Samen bouwen aan resultaten van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen. Wij omarmen als kabinet dan ook de aanbevelingen uit dit rapport. Daarom wordt er door het Rijk en de medeoverheden nu gewerkt aan een samenwerkingsagenda. Hiermee maken we als kabinet samen met de medeoverheden een nieuwe start voor de gezamenlijke aanpak van maatschappelijke opgaven, zodat we resultaten boeken voor onze inwoners. Het kabinet en de medeoverheden streven ernaar deze samenwerkingsagenda in september af te ronden. Die stuur ik daarna uiteraard naar uw Kamer.
Dan de tweede lijn: het verder werken aan balans. Gezien het belang van dit thema voor uw Kamer kom ik hier uitgebreider op terug, zeker ook in het debat van vanavond, waar ik eerder al naar verwees. Het kabinet heeft oog voor de financiële posities van medeoverheden en is zich bewust van de gedeelde verantwoordelijkheid van het Rijk en de medeoverheden om samen te werken aan de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Ik begrijp de zorgen die uw Kamer op dit belangrijke vraagstuk heeft. U heeft terecht aandacht gevraagd voor een goed zicht op de uitvoering daarvan en voor balans bij medeoverheidstaken en de ROB-rapporten hierover.
Het gesprek hierover vind ik belangrijk en ik wil hierop een stap naar voren zetten. Het gesprek over de balans en de omvang van de koek moeten we gericht kunnen voeren. Het gaat echter niet alleen om geld. De oplossingen bij disbalans liggen ook op het vlak van bevoegdheden en inhoudelijke sturing door het Rijk en de medeoverheden. Daarom wil ik vooral de blik vooruit hebben. Ik ben hiermee aan de slag, mede op basis van de adviezen van de ROB over medebewind en de net al aangehaalde motie rondom een verkenning. Die verkenning heeft als doel het inzicht in en het overzicht van de medebewindstaken verkrijgen, versterken en borgen, ook voor uw Kamer. Deze verkenning vindt samen met de VNG en het IPO plaats. We zijn het eens over de aanpak. We houden ook de ROB hierbij betrokken, in hun onafhankelijke rol.
Ik zal u de komende maanden ten minste twee keer over de voortgang hiervan informeren. Dat is deze zomer met een brief met een agenda en enkele casussen, met inzicht wat betreft de uitvoering en de lessen die getrokken worden. Er wordt ook ingegaan op de verbetering van de monitoring om het gesprek tussen overheden te verbeteren. Dit najaar kom ik met een brief die uitgebreider ingaat op het verbeterde overzicht van medebewindstaken. Met uw Kamer ga ik aan de hand daarvan graag het gesprek aan over deze agenda en hoe die u gaat helpen in uw informatiepositie.
De heer Van Hattem (PVV):
(…)
Ik wil toch even doorvragen op dit punt. Ik vind het op zich goed om te horen dat de minister in het najaar met een inventarisatie gaat komen over de taken, de medebewindstaken waar we eerder om gevraagd hebben, alleen ... Ik zie hem al een beetje knikken, maar goed, dat is dan voor het debat van vanavond. Ik heb een heel specifieke vraag. We hebben eerder in de schriftelijke ronde de reactie vanuit het kabinet gekregen, en ik citeer: "We gaan kijken hoe monitoring kan bijdragen aan een beter gesprek over de balans tussen taken en middelen". In hoeverre gaat datgene waarvan de minister nu aangeeft dat het in de zomer en in het najaar komt, verder dan de reactie die ik net citeerde? Kan de minister dat aangeven? Voor mijn part doet hij dat in het debat vanavond, het maakt mij niet veel uit, maar dit is wel zo'n beetje de vraag die ik al de hele tijd in mijn hoofd heb zitten.
Minister Heerma:
Nu doet de heer Van Hattem bijna aan uitlokking. Ik denk toch dat we dit het beste vanavond kunnen meenemen. Ik heb de vraag van de heer Van Hattem duidelijk gehoord. Ik begrijp op basis van de eerdere beantwoording heel goed dat deze Kamer persisteert in het stellen van vragen, in de trant van: we willen dat dit serieus opgepakt wordt. Ik heb in mijn inleiding geschetst wat we willen gaan doen en dus ook wat we extra gaan doen in de komende periode, en hoe ik daar de Eerste Kamer de komende maanden over zal informeren, zodat we dit debat kunnen voeren zodra die vervolgstappen er zijn. Dan doe ik een heel klein randje van het debat van vanavond, maar het is de bedoeling om meer inzicht te geven in de invulling van zowel de motie als de ROB-adviezen waar vorig jaar over gedebatteerd is en waar nu ook vragen over gesteld zijn.
(…)
Ik begin bij de ROB. De Raad voor het Openbaar Bestuur sneed in zijn adviesrapporten, Afrekenen met disbalans en Meters maken met medebewind, terecht aan dat het niet in alle gevallen lukt om als Rijk en decentrale overheden het juiste gesprek met elkaar te voeren over taken, waardoor er sprake is van disbalans tussen taken, middelen, bevoegdheden en uitvoeringskracht. Inzicht krijgen in de omvang en oorzaken van die disbalans die zich op een taak manifesteren, duurt vaak te lang. Dit leidt tot frustratie aan beide zijden. Eerder gaf ik al aan dat we op dit punt met een verkenning bezig zijn met het IPO en de VNG. We hebben net gezegd dat we vanavond uitgebreider met elkaar terugkomen op wat u daarvan kunt verwachten.
Momenteel voer ik samen met de koepels, de VNG, het IPO en de betrokken ministeries deze verkenning uit naar aanleiding van de rapporten van de ROB en de kabinetsreactie daarop. Doel van de verkenning is tot een concreet voorstel komen voor hoe monitoring van medebewindtaken kan bijdragen aan een beter gesprek over die balans. In de verkenning zullen verschillende varianten uitgewerkt worden met als doel inzicht in en overzicht van de medebewindtaken verkrijgen, versterken en borgen. Centraal daarbij staat de uitwerking van de casuïstiek van een aantal taken. Op basis van een nadere analyse verdiepen we het inzicht in de balans en trekken we lessen over hoe de monitoring te verbeteren. In de verkenning zal er aandacht zijn voor de balans tussen enerzijds de wens en urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds de fundamentele uitgangspunten binnen ons stelsel, de gedecentraliseerde eenheidsstaat, zoals eigen beleidsruimte en een verantwoordelijkheid die medeoverheden hebben, en ook een beperking van administratieve lasten.
(…)
Ik hoorde het lid Moonen van D66 enkele vragen stellen over het toezicht. Ik ga er in mijn beantwoording van uit dat deze vragen met name zien op de verkenning naar de monitoring van medebewindstaken over de balans tussen taken en middelen.
Handelingen I 2025/2026, nr. 33, item 4, p. .
Minister Heerma:
(…)
We voeren op dit moment samen met de koepels, VNG en IPO, en de betrokken ministeries deze verkenning uit naar aanleiding van de rapporten van de ROB over medebewind en de kabinetsreactie hierop. Het doel van de verkenning is om tot een concreet voorstel te komen voor monitoring: hoe kan monitoring van medebewind bijdragen aan een beter gesprek over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht? Dat raakt de kern waar de ROB over adviseerde.
Wat bedoel ik daarmee? Met de verkenning beoog ik inzicht en overzicht in de medebewindtaken te versterken. Met beter inzicht en overzicht kunnen we een beter gesprek voeren, zowel tussen Rijk en medeoverheden, alsook met het parlement. Ik zal nu concreet ingaan op de vraag wat de verkenning zal opleveren en wanneer dit gebeurt.
Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):
Misschien even ter verduidelijking: het gaat over de aanleiding van het onderzoek. Die aanleiding kwam ook vanuit deze Kamer. Wij zeiden namelijk dat we geen inzicht hebben en daardoor niet kunnen doen wat van ons gevraagd wordt: toetsen of de taken in verhouding staan tot het geld. Deelt de minister die conclusie van het rapport? Het begint tenslotte altijd bij een gezamenlijk startpunt. En geldt dat ook voor hemzelf? Wij zeggen: wij hebben dat inzicht niet en kunnen daardoor niet toetsen of het gemeentefonds wel voldoet. Dat is ook wat de ROB klip-en-klaar constateert. Mijn vraag aan de minister: is hij het eens met die conclusie? Zo nee, waarom niet? En geldt dat ook voor hemzelf?
Minister Heerma:
Ik wil voorkomen dat we in de discussie van vorig jaar terechtkomen, maar tegelijkertijd kan ik niet anders dan erin meegaan dat de motie uitgevoerd moet worden en dat er dus meer inzicht moet komen. Daarom sprak ik net over de monitoring en over de vraag hoe we de motie gaan uitvoeren om meer inzicht en overzicht te geven. Tegelijkertijd kan ik op dit moment niet anders. In het laatste stuk van de eerste termijn van de Kamer ging het gesprek op een gegeven moment over gemeentes die geld over de balk smijten. Het ging in detail over gemeentes die andere dingen doen dan wij met elkaar — althans sommigen in dit parlement — vinden dat ze zouden moeten doen. Wat er vorig jaar in de beantwoording, in de balans, misschien is misgegaan, is dat de nadruk te veel op de risico's is gelegd, waardoor het beeld is ontstaan dat we de adviezen niet serieus nemen en de motie niet willen uitvoeren. Tegelijkertijd is het in de praktijk lastig om overzicht te geven en moeten we dus opletten hoe we daar met elkaar mee omgaan. Maar dat is geen reden om het niet te doen.
(…)
De tweede brief, die in het najaar zal volgen, gaat over het spoor overzicht van de ROB-verkenning. Daarmee werken we aan een onderzoek om een beter overzicht te krijgen van zowel de autonome taken als de medebewindstaken. Het betreft een verdieping van het onderzoek Beleidsvrijheid geduid, dat de ROB in 2019 heeft uitgevoerd. Het gaat hierbij concreet om een lijst met belangrijke medebewindstaken per taakveld over de volledige breedte van het gemeentelijke en provinciale activiteitenpakket. Wij willen die lijst zo volledig mogelijk, maar ook praktisch hanteerbaar maken, en overzicht biedend voor uw Kamer. Wij geven per taakveld inzicht in de kosten, de mate van beleidsvrijheid van taken, de ontwikkelingen hierin, in het bijzonder die van grote omvang, en de sturingsmogelijkheden voor gemeenten en provincies hierbij. Deze brief ontvangt u dus dit najaar.
Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):
(…)
Mijn vraag is bedoeld om helderheid te krijgen over het advies van de ROB, dat aangaf: dit zou wat ons betreft een routekaart kunnen zijn om die duidelijkheid te krijgen. Daarop volgde de brief van de regering — volgens mij was dat begin dit jaar — waarin werd gesteld: dat gaan we niet doen; we kiezen voor een verkenning. Dat heeft in ieder geval bij mij de indruk gewekt dat we iets anders gaan krijgen dan de routekaart die de ROB aangaf. Dat zou moeten leiden tot voldoende inzicht om als Kamer ook iets zinnigs te kunnen zeggen over de relatie tussen de taken, het geld en de beleidsruimte.
Ik probeer toch even of de minister mij kan uitleggen wat precies het verschil is tussen wat u "een verkenning" noemt, wat in twee fases komt, en het advies van de ROB. Ik heb ook de ROB gebeld met de vraag: wat denken jullie dat het verschil is? Ik geloof dat de heer van OPNL daarstraks ook zei dat er hier misschien sprake is van een misverstand. Het is inderdaad de heer Van der Goot. Het is onduidelijk, althans voor mij, wat precies het verschil is. Ik zou willen voorkomen dat we hier volgend jaar staan en zeggen: we hebben toch iets anders gekregen dan wat de bedoeling was.
Minister Heerma:
Ik ben in mijn eerste termijn begonnen met reflecteren op het feit dat in de beantwoording tot nu toe de nadruk te veel gelegen heeft op het tweede spoor. Dat is het handelen in vertrouwen versus in wantrouwen, waar — ik zou bijna "de heer van OPNL" zeggen — de heer Van der Goot het over had. Ik heb ook aangegeven dat we met deze verkenning juist uitvoering proberen te geven aan wat zowel de ROB-adviezen vragen als wat de Kamermotie vraagt. Dat is kennelijk niet altijd duidelijk geweest in de beantwoording en in de beelden die daardoor zijn opgeroepen. Een misverstand ontstaat aan twee kanten, maar ik heb daarbij de hand in eigen boezem gestoken, ook in de manier waarop ik het zeg.
Of de verkenning en de schets op onderdelen voldoende tegemoetkomen aan wat u wil ... Ik heb expliciet proberen te zeggen dat we dit deze zomer en dit najaar opleveren. Dat is ook omdat dat de Kamer de kans biedt om te zeggen of zij dit goed genoeg vindt, of dit voldoende inzicht geeft en of dit voldoende is voor de monitoring en de invulling van haar controlerende taak. Daarover ga ik nadrukkelijk het debat en het gesprek met u aan, omdat dat ook voorkomt dat we hier over een jaar staan en dan constateren dat we niet verder zijn gekomen dan we een jaar daarvoor waren. Dat is het antwoord. Het is dus juist de bedoeling om invulling te geven aan de motie en het ROB-advies. Op basis van de eerdere beantwoording is daar onduidelijkheid over ontstaan. Ik probeer specifiek te schetsen welke stappen we nemen, om te laten zien dat we er serieus mee bezig zijn.
De heer Van Hattem (PVV):
Dank voor de beantwoording op dit punt, in zo veel mogelijk concreetheid, zo zeg ik maar even. Ik heb toch de volgende vraag aan de minister. Zijn ambtsvoorganger ... Ik weet even niet meer welke het was, want we hebben er een aantal gehad de afgelopen jaren.
Minister Heerma:
Het zijn er best veel geweest.
De heer Van Hattem (PVV):
Die gaf aan het overzicht waar de ROB om had gevraagd, niet te willen leveren. Als je dat overzicht van de medebewindstaken zou maken, dan zou dat ten koste gaan van de invulling van de lokale autonomie. Deze minister zegt nu het overzicht te gaan maken. Ik hoor graag of hij dan toch afstapt van de denkrichting van zijn ambtsvoorganger en de ruimte wil geven om dat overzicht in te vullen.
Het tweede punt daarbij is het rijtje zaken dat de minister opnoemde. Het ging mij even te snel om ze allemaal op te schrijven, maar ik hoorde hem het taakveld en de kosten noemen, en nog een paar zaken. Ik zou graag één ding goed in beeld krijgen as we het hebben over de medebewindstaken. Dat betreft de juridische grondslagen, of in ieder geval de grondslagen voor het beleid. Ik zou graag duidelijk hebben op basis waarvan een medeoverheid een bepaalde taak uitvoert, zodat dat goed inzichtelijk is. Kan de minister op deze twee punten misschien een reactie geven?
Minister Heerma:
Zonder te veel in herhaling te vallen. De heer Van Hattem vraagt in het eerste deel van zijn vraag naar iets wat ik heb proberen uit te drukken in mijn beantwoording van de vragen van het lid Fiers van, in dit huis nog steeds, GroenLinks-PvdA. Ik wil niet alleen verwijzen naar voorgangers. Dat waren er volgens mij vijf in de afgelopen vijf jaar. Deze discussie heeft met name betrekking op het debat van vorig jaar, maar heeft ook betrekking op de beantwoording op uw vraag zoals die onder mijn eigen verantwoordelijkheid schriftelijk is gedaan. Dat is dus één.
Het is niet zo, dat ik met wat ik hier zeg, de zorgen die zijn geuit in de tweede lijn van beantwoording los wil laten. Wat ik probeer te doen in dit debat is juist omdat het benadrukken van de zorgen — die volgens mij reëel zijn en die ik met voorbeelden heb geprobeerd te schetsen — de indruk ontstaat dat we niet de motie gaan uitvoeren en dat we niet het ROB-advies opvolging gaan geven. Die indruk wilde ik wegnemen, vandaar dat ik de redenatie omdraai, een beetje in het kader van het eerst geven van vertrouwen zoals de heer Van der Goot dat heeft gedaan.
Misschien ook mijn voorganger citerend "het gaat bij de verkenning om het vinden van een balans tussen enerzijds de wens en de gevoelde urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds het belang om niet te treden in de autonomie van medeoverheden en de mogelijkheid tot het voeren van integraal beleid, terughoudend zijn in het opvragen van beleidsverslagen en de beperking van administratieve lasten". Dit citaat geeft aan dat, ook in de beantwoording van mijn voorganger, de beide elementen al zaten. Ik constateer alleen hier in de schriftelijke vragen die zijn gesteld en de termijn die de Kamer zojuist heeft gehad, dat door de balans in de beantwoording te veel de indruk is ontstaan dat de zorgen overheersen en niet het uitvoeren van de adviezen. Daarom heb ik geprobeerd in deze termijn de volgorde om te draaien.
De heer Van Hattem (PVV):
Het gaat er uiteindelijk om dat de welwillendheid er is bij de minister om een overzicht op te stellen en die was er in eerdere fases naar mijn idee in mindere mate. Ik heb het hier zelf in ieder geval nooit gehad over vertrouwen of wantrouwen. Vertrouwen is aanwezig tot het tegendeel wordt aangetoond. Wat mij betreft is dat vertrouwen er gewoon. Daarom vragen we ook gewoon door, net zolang tot we het vertrouwen hebben dat het ook op tafel komt te liggen. Daarbij had ik een tweede vraag gesteld, namelijk naar de grondslagen van het medebewind en dat die duidelijk in beeld worden gebracht, zodat gemeentes en iedereen in het land duidelijk kunnen zien: dit is een taak op basis van medebewind op basis van die en die wet of die en die regeling die wordt uitgevoerd. Dan heeft dat in ieder geval een duidelijke onderbouwing.
Minister Heerma:
(…)
Ik heb net geschetst wat we met inzicht en overzicht willen doen in die twee brieven, die dus deze zomer en dit najaar komen, met de intentie om daar ook op dat moment met uw Kamer het debat te voeren over of dat voldoende is bij wijze van stappen in de wens om meer inzicht te krijgen.
Dan de vervolg...
Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):
Misschien nog eentje: in het najaar? Als we hier volgend jaar niet met elkaar op hetzelfde punt willen staan, zou het fijn zijn dat we ook nog met elkaar kunnen overleggen voordat de begroting er ligt. Dus waar hebben we het dan over? 1 oktober? Want als het weer richting het einde ... Nu zijn we natuurlijk uitermate laat met de behandeling, maar je zou willen dat we een goed gesprek hebben met elkaar op het moment dat die tweede brief er ligt. Hebben we dan wat we willen? En dan zou er nog tijd moeten zijn om het daar ook met de minister over te hebben, voordat er een kant-en-klare begroting ligt.
Minister Heerma:
Ik denk in alle eerlijkheid dat dat deze zomer vereist en ik weet nog niet precies wat de planning van de begrotingsbehandeling is, dus ik kan niet toezeggen dat het sowieso lukt voor de begrotingsbehandeling. Maar ik wil wel toezeggen dat ik in ieder geval probeer het in november te doen, zodat het wel dit jaar nog besproken kan worden.
Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):
"Voor de begrotingsbehandeling" lijkt mij juist wel de toezegging, want als we hier volgend jaar niet weer willen staan met "we hebben geen inzicht, overzicht" dan moet het voor de begrotingsbehandeling. Dat lijkt me toch wel de minste toezegging.
Minister Heerma:
De begrotingsbehandeling staat volgens mij op dit moment gepland voor begin november. Ik probeer mijn toezegging daarvoor gestand te doen. Ik zal een tijdpad zetten in de brief die uw Kamer van de zomer krijgt. Ik moet een kleine slag om de arm houden, maar ik begrijp waar de vraag van mevrouw Fiers vandaan komt.
De vraag is: hoe gaan we om met de verkenning zodra die er is? Ik kan daar niet op vooruitlopen en nu aangeven wat de uitkomst van de verkenning precies gaat zijn. De verkenning zal aandacht besteden aan de balans tussen enerzijds de wens en urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds de fundamentele uitgangspunten binnen het huidige stelsel, waar ik het zojuist al over heb gehad, en de beleidsruimte van medeoverheden. Wat ik voor me zie, is dat we op basis van de opbrengst van de verkenning handvaten hebben voor een beter gesprek over de taken tussen departementen, BZK en de koepels en dat we komen tot een beter proces om met disbalans om te gaan. Ik zal uw Kamer informeren over welke concrete stappen daarbij horen.
Verder ben ik voornemens om het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies, waarmee uw Kamer jaarlijks wordt geïnformeerd over de financiële positie van gemeenten — overigens meen ik dat dit tot stand is gekomen op verzoek van de Eerste Kamer, een senator destijds van PvdA-huize — uit te breiden met informatie over de beleidsvrijheid per taakveld, de ontwikkeling hierin ook in relatie tot de lasten. Met uw Kamer ga ik graag in gesprek over of en hoe deze agenda u gaat helpen bij uw informatiepositie en controlerende taak en de wijze waarop we dit goed laten werken met elkaar.
De heer Van Hattem (PVV):
(…)
Misschien toch voor alle scherpte van het debat: ik heb in mijn termijn ook gerefereerd aan dat je natuurlijk verschillende vormen van medebewind hebt. Er is natuurlijk ook facultatief medebewind, waarbij gemeentes een grote mate van beleidsvrijheid hebben om het zelf in te vullen en een mechanisch medebewind, waarin het voor gemeentes hetzelfde is hoe ze iets moeten invullen. Dus als de minister nou zegt "gemeentes moeten het", kan hij dan, ook ten aanzien van het overzicht dat moet worden gemaakt, nog wel die verschillende vormen van medebewind meenemen? Het is namelijk niet zo dat iedere vorm van medebewind ook automatisch zegt: het moet en het zal op die manier plaatsvinden.
Minister Heerma:
Dit raakt natuurlijk ook de discussie over autonomie en de vrijheid die gemeenten en medeoverheden hebben om keuzes te maken. Maar de heer Van Hattem vraagt mij ook specifiek om bij de nadere uitwerking hier aandacht aan te besteden en dat wil ik hem toezeggen.
De heer Van Hattem (PVV):
(…)
Dan kom ik op een aantal andere punten. Om een term te gebruiken die in de Tweede Kamer voorheen is gebruikt "is het parlement een leeuw of een lam?" Ik heb bij dit debat gemerkt dat wij wel hebben laten zien dat wij in deze Kamer niet als makke lammetjes een motie en een onderzoek van de ROB naast ons neer laten leggen of voor kennisgeving aannemen. We willen wel duidelijkheid hebben. Wat de PVV-fractie betreft, blijven we ook als een leeuw vechten en gaan we hier niet als makke lammetjes afwachten of er iets gebeurt. We willen gewoon duidelijke, concrete verhalen hebben. Ik vraag de minister dan ook nadrukkelijk om niet in algemene termen over het gesprek, over balans en over disbalans, te blijven hangen maar met een heldere monitoring te komen, waaruit duidelijk wordt op welke basis er medebewind ligt en op welke basis niet, zodat we het gesprek daarover duidelijk kunnen aangaan en voor iedereen ook duidelijk is waar het om gaat.
Minister Heerma:
(…)
De heer Van Hattem vroeg of de minister een totaaloverzicht kan geven van alle wettelijke taken of medebewindtaken van gemeenten, inclusief wettelijke grondslagen. In het overzicht dat ik zal gaan bieden, zal ik dit element nadrukkelijk betrekken. De brief over het onderzoek naar overzicht gaat hierop in. Ik wil me daarbij focussen op de belangrijkste zaken en daarbij de gehele breedte van het gemeentelijk en provinciaal takenpakket betrekken, dus alle domeinen die vandaag aan de orde zijn gesteld. Mijn indruk is op dit moment niet dat het uw Kamer om allerlei kleinere wetten gaat. Ook de ROB lijkt daar de nadruk niet op te leggen.
Brondocumenten
-
15 juni 2026
toezegging gedaan