Plenair Fiers bij behandeling Begroting provinciefonds 2026



Verslag van de vergadering van 15 juni 2026 (2025/2026 nr. 33)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.33 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Fiers i (GroenLinks-PvdA):

En namens de Partij voor de Dieren.

Voorzitter. Ik wilde beginnen met om coulance vragen, maar ik geloof dat ik mijn beurt nu al verspeeld heb. Mijn idee was namelijk dat de volgorde van dit debat vandaag anders zou zijn. Volgens mij hadden we met elkaar in de commissie afgesproken — ik zie de griffier meteen nee knikken, maar ik denk het toch echt — dat we zouden beginnen met het debat over het gemeentefonds en daarna over het provinciefonds, omdat we dan voort zouden kunnen borduren op wat we vorig jaar uitgebreid met elkaar en met de toenmalig minister hebben gewisseld over het gemeentefonds. Ik had mijn spreektijd ook daarop aangepast: ik had iets langer voor het gemeentefonds en iets korter voor het provinciefonds. Maar dat gaat niet lukken. Als ik hier nog lang over blijf praten, is mijn spreektijd zo meteen op. Ik hoop op enige coulance, omdat ik ook namens het CDA spreek, dat niet aanwezig is.

Dit betoog is opgebouwd uit twee onderdelen: allereerst het ontbreken van een balans tussen de provinciale taken en het geld of, althans, het inzicht daarin en ten tweede de route naar een oplossing. Ik wil beginnen met het ontbreken van het inzicht en de balans.

De analyse van twee rapporten van de Raad voor het Openbaar Bestuur, "Afrekenen met disbalans" en "Meters maken met medebewind", over de disbalans tussen de taken, bevoegdheden en middelen van de medeoverheden en het ontbreken van voldoende inzicht hierin bij het parlement om de controlerende taak uit te kunnen oefenen is identiek voor gemeentes en provincies. Op de website van het IPO staat hierover te lezen: "De rol van provincies verandert. Verantwoordelijkheden en opgaven nemen toe. Maar de belangrijkste financieringsbron — het provinciefonds — groeit niet voldoende mee. De financiële positie van de twaalf provincies verslechtert daardoor en dat vraagt om nieuwe afspraken. Provincies vervullen taken voor bijvoorbeeld onderhoud aan infrastructuur en het openbaar vervoer. Maar provincies worden ook steeds vaker naar voren geschoven bij het oplossen van grote maatschappelijke vraagstukken zoals: stikstof, natuurherstel, landbouwvernieuwing, bodemgebruik en waterbeheer. Hierdoor raakt de financiële verhouding tussen wat er moet gebeuren en wat daarvoor beschikbaar is uit balans. De opgaven worden groter, terwijl de bijbehorende middelen niet meegroeien. Dat zorgt voor grote onrust en onzekerheid bij de provincies. Dit is niet langer houdbaar en moet anders." Hierover heb ik een vraag aan de minister. Deelt de minister de analyse van de ROB en de provincies over de ontstane disbalans en het ontbreken van inzicht?

Dan het tweede deel: de route naar een oplossing. In november 2025 heeft de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen het rapport "Samen bouwen aan resultaten - Vijf bouwstenen voor toekomstbestendige interbestuurlijke verhoudingen" uitgebracht. Het nieuwe kabinet heeft dit rapport samen met de decentrale overheden omarmd en afgesproken om de aanbevelingen te implementeren. Wij zijn benieuwd naar de implementatie van die vijf bouwstenen. Wat is de eerste indruk van de minister? Wat gaat er goed en wat niet? En meer specifiek: hoe kijkt hij naar de prestaties van het Rijk bij het implementeren van deze uitgangspunten?

De route naar een oplossing voor de gemeentes, waarover we straks komen te spreken, loopt anders dan voor de provincies. Het IPO stelt dat het samen met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Financiën de afspraak heeft gemaakt om op basis van drie rapporten het verder met elkaar te gaan hebben over de verdeling van de verantwoordelijkheden versus de financiële middelen. Dat betreft rapporten over infrastructuur, natuur en openbaar vervoer. Hierover ook enkele vragen aan de minister. Herkent de minister deze afspraak? Zijn de partijen het eens over de inhoud van die drie rapporten en de conclusies? Zo nee, op welke onderdelen niet?

Om tot oplossingen te komen moet gezocht worden naar een balans tussen ambitie, taken, middelen en uitvoeringskracht. Dat vraagt een goed samenspel van alle betrokkenen. Wij horen dat afstemming met de fondsbeheerders, vakdepartementen en IPO op eenzelfde moment aan een eenzelfde tafel nog niet goed tot stand komt, terwijl dit wel nodig is voor adequate oplossingen. Graag een reflectie van de minister: hoe ziet hij dat? Ziet hij deze noodzaak ook? Kan hij toezeggen dat hij erop toeziet dat die gezamenlijke afstemming wél tot stand komt?

Ook bij provincies speelt, net als bij gemeentes, een herverdelingsdiscussie. Dat is met een beperkt aantal provincies makkelijker dan met 342 gemeentes, zou je denken, alhoewel de mate van verevening van de eigen middelen ook best complex is, begrijp ik. Kan de minister aangeven hoe dit overleg verloopt en op welke termijn hij denkt dat er een oplossing komt voor dit vraagstuk voor provincies?

Tot slot nog even de blik vooruit, naar toekomstige wetsvoorstellen die decentrale overheden raken. Deze Kamer heeft veelvuldig aandacht gevraagd voor een consequente uitvoering van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, de zogenaamde UDO, zeker bij nieuwe wetsvoorstellen. Uit de antwoorden op de vele vragen die hierover door deze Kamer zijn gesteld, blijkt dat dit beter kan en moet. Daarom twee vragen aan de minister. Graag horen we hoe deze minister die UDO's apprecieert. Wat gaat hij eraan doen om ervoor te zorgen dat die UDO's onder zijn ministerschap wel consequent worden toegepast, ook door zijn collega's, de vakministers? De laatste vraag: is een artikel 2-onderzoek Financiële-verhoudingswet standaard onderdeel van een UDO? Zo nee, waarom eigenlijk niet? Ook hier de vraag wat de minister gaat doen om te waarborgen dat dit een integraal onderdeel wordt van de uitvoeringstoetsen.

Voorzitter. Ik ben blij met de coulance die u betracht heeft. Ik kijk uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u zeer. mevrouw Fiers. U hebt op de klok gekeken. Ik geef nu graag het woord aan de heer Lievense, die spreekt namens de fractie van de BBB.