Plenair Van Gurp bij behandeling Wet herziening bedrag ineens



Verslag van de vergadering van 9 juni 2026 (2025/2026 nr. 32)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 13.58 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Gurp i (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Om met het laatste te beginnen: het is mij een eer en een genoegen om niet alleen namens GroenLinks-PvdA, maar inderdaad ook namens de fracties van het CDA en de ChristenUnie het woord te mogen voeren. Het zijn die twee partijen waarmee wij de afgelopen anderhalf à twee jaar in de voorbereiding van dit wetsvoorstel zeer intensief zijn opgetrokken.

Voor ons ligt een wetsvoorstel, eigenlijk een herzieningswetsvoorstel, over het zogenoemde bedrag ineens. Heel eenvoudig gezegd gaat het erom dat je op het moment dat je met pensioen gaat, als je dat ten minste op je AOW-leeftijd doet, 10% van je pensioenrechten in één keer mag opnemen. Dat mag; het hoeft niet. In de kern is dat dus sympathiek. Natuurlijk zijn daaraan voorwaarden en bepalingen verbonden. De mogelijkheid of, zoals dat dan heet, het keuzerecht voor een bedrag ineens maakt onderdeel uit van het pensioenakkoord dat in 2019 is gesloten door het kabinet en de sociale partners. Dat pensioenakkoord heeft politieke steun gekregen van onder andere de drie partijen namens welke ik hier ook spreek. Die politieke steun betreft dus ook het bedrag ineens.

U kent ons: afspraak is afspraak, wat betreft het pensioenakkoord en wat betreft alle andere onderwerpen. Vanuit die houding kijken wij dus ook naar dit wetsvoorstel. Maar politieke steun alleen is niet voldoende. In de Eerste Kamer kijken wij nog eens in het bijzonder naar aspecten als rechtsstatelijkheid, wetgevingskwaliteit en uitvoerbaarheid. Met name op dat laatste punt, de uitvoerbaarheid, hebben onze fracties in eerdere fasen van de wetsbehandeling meermaals hun zorgen geuit. Ik zal in de komende tien minuten schetsen wat die zorgen waren en wat die ten dele nog steeds zijn. Tegen die achtergrond heb ik ook een paar vragen voor de minister.

Ik wil beginnen met dat woord "uitvoerbaarheid". Meestal bedoelen we daarmee de mogelijkheden voor uitvoeringsorganisaties om een voorgestelde wet goed uit te voeren. Die uitvoeringsorganisaties zijn in dit geval grosso modo pensioenfondsen en pensioenverzekeraars. Dat is ook cruciaal, en ik zal daar zo meteen nader op ingaan. Maar uitvoerbaarheid heeft nog een andere kant die minstens zo belangrijk is, namelijk: kunnen de mensen voor wie de wet bedoeld is die wet eigenlijk goed uitvoeren? Is die wet goed te begrijpen? Is het voor de burger goed te doen?

Dat vatten we meestal samen onder het woord "doenvermogen", een mooi woord dat de WRR in 2017 heeft gemunt. Ik heb dat woord een aantal jaren vaker gehoord in deze Kamer, tegenwoordig wat minder. Vanaf deze plek pleit ik dan ook voor een rehabilitatie van het woord "doenvermogen", want dat is een belangrijk onderdeel van onze opdracht. Met name die zorg rond het doenvermogen was leidend bij de eerdere behandeling van een variant van dit wetsvoorstel. Dat was in januari en februari 2021. Dat is ruim vijf jaar geleden.

Ere wie ere toekomt: het was onder de bezielende leiding van toenmalig CDA-senator Ria Oomen dat de Kamer een motie heeft aangenomen die vraagt om een beter uitvoerbaar stelsel, met meer oog voor de effecten voor mensen die recht hebben op huur- of zorgtoeslag, en nog wat bepalingen. Die motie is breed gesteund. Ik wilde de heer Crone aankijken, maar hij is er niet. Hij heeft zijn handtekening onder die motie gezet, de heer Van Rooijen heeft zijn handtekening eronder gezet en ikzelf heb ook getekend. In de jaren die daarop volgden, zijn er inderdaad technische verbeteringen in de oorspronkelijke wet aangebracht, met positieve gevolgen voor de uitvoering. Daar hebben we waardering voor.

Eén belangrijk onderwerp is echter blijven staan. Als je recht hebt op toeslagen, kan gebruikmaking van een bedrag ineens, dat je in één keer in enig jaar op je rekening krijgt, aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor je recht op huur- of zorgtoeslag, omdat je inkomen dan wel je vermogen in dat jaar boven de toetsingsgrens uitgaat. Je krijgt dan in het volgende jaar een terugvordering. Ik hoef hier niemand te vertellen tot welke vervelende toestanden dat kan leiden.

De heer Dessing i (FVD):

Ik heb met belangstelling geluisterd naar het begin van het betoog van de heer Van Gurp. Voordat hij verdergaat met het technische deel van dat betoog, wil ik graag even ergens op terugkomen. Ik sloeg aan op het "doenvermogen" waarover hij het had. Hij houdt met name een warm pleidooi voor dat begrip. Ik begreep uit zijn woorden dat het soms voor mensen niet doenlijk is om een wet uit te voeren. Betekent dit dat een pleidooi voor doenvermogen ook een pleidooi is voor meer sturing door de overheid? Is dat de invulling die ik daaraan moet geven? Ik wil daar iets meer over horen.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Die link had ik eerlijk gezegd nog niet gelegd. Ik moet dan ver zoeken. Een pleidooi voor doenvermogen, of eigenlijk voor wat wij hier kunnen doen om bij het toetsen van wetten heel goed naar het doenvermogen te kijken, is een pleidooi voor wetgeving waarin heel goed rekening wordt gehouden met niet alleen de kant van de uitvoerders, maar ook met de kant van degenen in de samenleving die daarmee te maken krijgen en die daarnaar moeten handelen. Ik zeg niet dat dit nu geen rol heeft gespeeld, maar het zou voor mij nog wel een tandje scherper mogen. Dat is de kern van mijn pleidooi. Dat heeft op zich nog niet zo veel te maken met een sturende of minder sturende overheid.

De heer Dessing (FVD):

Ik vraag er toch naar, omdat het bedrag ineens hét voorbeeld is van een situatie waarin een overheid juist niet stuurt en juist de vrijheid geeft om dat bedrag ineens te besteden naar aanleiding van je eigen financiële planning voor de toekomst. Dat klinkt dus als een contradictio in terminis.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Ik denk het niet, maar misschien moet dat uit de rest van mijn betoog blijken. Het is inderdaad een keuzemogelijkheid. Het geeft mensen vrijheid. Ik heb ook gezegd dat wij mede om die reden politiek positief naar het voorstel kijken. Dat neemt niet weg dat je er natuurlijk goed over moet nadenken. Als je dit zo in de samenleving neerlegt, wat gebeurt er dan bij die mensen? Zijn mensen voldoende geëquipeerd om die vrijheid ook ten volle te gebruiken? Als je mensen hier niet een handje bij helpt of hun in ieder geval de mogelijkheid geeft om op steun of voorlichting terug te vallen, zou het dan kunnen dat zij zichzelf lelijk in de voet schieten als ze hiervan gebruikmaken? Afijn, ik zal daar nader inhoudelijk op ingaan.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Even kijken waar ik ook alweer was. Ik was bij de risico's die er zijn. Dat sluit eigenlijk aan op het laatste wat ik tegen de heer Dessing zei. Dank daarvoor. Als je niet goed uitkijkt, zou het weleens kunnen dat gebruikmaking van het recht ineens bij sommige mensen als een boemerang in hun gezicht terugkomt. Je kunt dan zeggen: maar ze mogen het toch zelf weten en ze zijn er toch zelf bij? Dat is ook zo. Ze hoeven het niet te doen. Maar de keuze wordt wel voorgelegd. Je moet dan kunnen overzien of het in jouw geval verstandig is om het te doen of niet. Daar zitten een hele hoop wetstechnische, financieel-technische en uiteindelijke implicaties in die in de portemonnee van de mensen terechtkomen. Als we mensen daar niet heel goed in begeleiden, is onze zorg dat ze weleens keuzes zouden kunnen maken waar ze later heel veel spijt van krijgen. Dat is het in een notendop.

Tijdens de behandeling van het nu voorliggende voorstel in de Tweede Kamer, wat alweer twee jaar geleden is, is hier door het CDA nogmaals nadrukkelijk aandacht voor gevraagd. Ik denk dat Inge van Dijk de woordvoerder was. Zij hebben geprobeerd dat in een amendement te vangen. Eigenlijk was dat punt eenvoudig: tel dat bedrag ineens nou niet mee bij de toetsing van het vermogen en het inkomen voor de toeslagen. Dat heeft qua intentie onze volle steun, maar er is heel duidelijk gemaakt, ook door de regering, dat dat voor de Belastingdienst onuitvoerbaar was. Dat brengt ons in de situatie waarin we ons nu bevinden. De wet is zoals die is. Het is niet gelukt om er aan de systeemkant een verbetering in aan te brengen, in de zin dat mensen niet meer risico lopen wat betreft hun toeslagen. Iets vergelijkbaars geldt overigens voor mensen met schulden. Dan blijven de vragen over hoe we dit beoordelen en hoe we de kans zo klein mogelijk maken dat het misgaat.

Dat brengt ons bij een tweede aspect van de uitvoerbaarheid. Dat betreft niet het doenvermogen van de burgers, maar het doenvermogen van de uitvoeringsorganisaties. Maar voordat ik daaraan begin ...

De voorzitter:

... krijgt u een interruptie van de heer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Terugkomend op het vorige blokje in het betoog van de heer Van Gurp. Hij verwees naar de motie-Oomen-Ruijten c.s., die hier in de Eerste Kamer zoveel jaar geleden met een ruime meerderheid is aangenomen. Zowel in de overwegingen als in het dictum werd verwezen naar het probleem dat het bedrag ineens weleens helemaal, of grotendeels, opgegeten zou kunnen worden door de toeslagen waar men dan geen recht meer op heeft. Nu constateert de heer Van Gurp dat dat probleem nog steeds niet is opgelost. Het betreffende amendement is niet aangenomen in de Tweede Kamer. De regering heeft er ook niet voor gekozen om dat op een andere manier op te lossen in het voorliggende wetsvoorstel. Zijn de heer Van Gurp en de fracties waar hij namens spreekt het eens met mijn conclusie dat de motie-Oomen-Ruijten c.s. in ieder geval niet volledig is uitgevoerd?

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat de motie niet is uitgevoerd wat betreft het punt "regel het nou voor mensen met toeslagen zodat dit voor hen geen negatieve implicaties kan hebben". Er is wel werk van gemaakt, maar het antwoord dat terugkwam, was: alles overwegende is er een paar jaar aan gepuzzeld, maar we krijgen dit niet opgelost. Overigens zijn een aantal andere aspecten van de motie-Oomen-Ruijten c.s. wel degelijk uitgevoerd. Het klopt dat dit springende punt niet volledig is uitgevoerd.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dan ben ik toch benieuwd hoe de heer Van Gurp en de fracties waar hij namens spreekt dit uiteindelijk wegen. Dit lijkt me toch cruciaal, en een springend punt. Ik zal hier straks in mijn eigen betoog nog uitgebreid op terugkomen. Zoals ik de inzet van de regering, van het kabinet, lees, zet men volledig in op voorlichting. Het kan heel nadelig uitpakken voor met name mensen met lagere inkomens, maar dat wordt voorkomen door te zorgen voor goede voorlichting en een goede informatievoorziening. Daar zijn ook allerlei vragen bij te stellen, maar zegt de heer Van Gurp nu: dat is uiteindelijk de weg en dat moeten we zien te verbeteren? Ook als de voorlichting perfect is, is het bedrag ineens helemaal geen aantrekkelijke optie voor mensen die een lager inkomen en een lager pensioen hebben en die afhankelijk zijn van toeslagen. Je hebt iets bedacht waar iedereen gebruik van zou kunnen maken, maar wat voor een bepaalde groep eigenlijk helemaal niet is weggelegd. In hoeverre weegt de heer Van Gurp dat als een probleem dat nog steeds niet opgelost is en dat op de een of andere manier toch een oplossing zou moeten krijgen?

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Als ik het niet zou wegen, zou ik het niet ter sprake hebben gebracht. Natuurlijk wegen we het. Het antwoord op de vraag of ik daarmee tot de afweging kom dat deze wet dan maar niet door moet gaan, wil ik alvast verklappen. U begrijpt ook dat dat antwoord nee is.

Ik geef hierbij enige nuancering, zonder helemaal de techniek in te gaan. In de schriftelijke vragenrondes hebben we hier natuurlijk goed op doorgevraagd. Het is zeker zo dat mensen die gebruikmaken van huur- en zorgtoeslag en die het bedrag ineens op hun rekening krijgen — dat is een beetje afhankelijk van hun situatie — daar ruim minder van overhouden dan zij misschien gedacht hadden. Het is voor niemand zo dat men erop achteruitgaat. Het voordeel is alleen kleiner dan je misschien gedacht had. Dat is toch iets anders dan dat mensen zich in de voet zouden schieten doordat het negatief zou werken. Dat is niet aan de orde.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Tot slot op dit punt, voorzitter. Het zal misschien in een heel beperkt aantal gevallen zo zijn, maar ik heb in ieder geval de voorganger van de minister, minister Van Hijum, in de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer horen zeggen dat het mogelijk is dat het zelfs negatief uitpakt, dus dat je zo veel aan toeslagen moet inleveren dat het uiteindelijk onder de streep onder nul komt. Dat zal misschien heel uitzonderlijk zijn. In veel gevallen zal het niet negatief zijn, maar zal het wel een hele grote hap zijn. Ik zou toch aan de heer Van Gurp willen vragen om dat niet te bagatelliseren. Dat betekent wel dat in ieder geval voor een flink aantal mensen voor wie deze regeling ook bedoeld zou zijn, het zo uitpakt dat het eigenlijk helemaal geen aantrekkelijke optie meer is. Dat zorgt voor een bepaalde ongelijkheid, ook tussen lagere en hogere inkomens, die mijn fractie in ieder geval niet wenselijk acht. Ik ben benieuwd hoe de heer Van Gurp daartegen aankijkt.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Dat er bijna niks overblijft, bestrijd ik. Weet je wanneer dat wel zo is? Als je 120 wordt. Je hebt ieder jaar een wat lager pensioen. Als je heel lang leeft, dan gaat dat gedeelte dat je minder krijgt in al die jaren natuurlijk opwegen. Maar het is niet zo dat van het bedrag ineens niets over zal blijven. Het is wel aanzienlijk minder. De heer Van Apeldoorn heeft daar gelijk in. Nogmaals, ik ben daar niet voor niets zelf over begonnen. Er is dus een zekere ongelijkheid wanneer dit vergeleken wordt met degenen die een hoger inkomen hebben. Het is nu eenmaal zo dat inkomensongelijkheid zichzelf meestal eerder versterkt dan vermindert. Daar denken wij politiek misschien hetzelfde over. Daar komt wel bij kijken dat het natuurlijk een keuze is. Niemand wordt gedwongen. Ook iemand met een lager inkomen of een uitkering wordt niet gedwongen om er gebruik van te maken. Het lijkt mij heel verstandig in de keuzebegeleiding, die inderdaad het antwoord is op het geschetste dilemma, waar nooit een honderdprocentantwoord op kan worden gegeven, mensen heel goed duidelijk te maken dat als ze in die situatie zitten, ze daar een aanzienlijk risico mee lopen. Dan blijft het uiteindelijk aan de mensen zelf om dat af te wegen.

Goed. Dan kom ik bij het tweede aspect van uitvoerbaarheid. Dat is de uitvoerbaarheid of noem het maar even "het doenvermogen van de uitvoeringsinstanties". Dan kijk ik met name naar de pensioenfondsen en de pensioenverzekeraars. Ook daar hebben we in een deskundigenzitting, die anderhalf jaar geleden in deze Kamer is georganiseerd, heel goed naar gekeken en geluisterd. De pensioenfondsen en pensioenverzekeraars hebben ons op het hart gedrukt dat ze die wet wel kunnen uitvoeren, maar dat het vragen wordt om ellende — ik zeg het maar even kort door de bocht — als je die wet in wil laten gaan als tegelijkertijd ook die hele transformatie van het pensioenstelsel nog bezig is. Dat was namelijk de aanvankelijke planning. De laatste planning die we hebben gekregen, sprak over 1 juli 2026. Er was toen een indringend pleidooi: "Doe dat nou niet. Wacht de pensioentransitie af en begin pas in 2029 met de uitvoering van het bedrag ineens. Dan kunnen we ook de communicatie focussen en dan zijn we niet allerlei verschillende communicatieboodschappen door elkaar aan het voeren. Dan weten mensen ook wat hun pensioenrechten zijn. Dan praten we echt over een nieuwe situatie die veel helderder is." Wij zijn ontzettend blij dat de minister naar dat pleidooi heeft willen luisteren, mede op ons aandringen, en dat hij de invoeringsdatum naar 1 januari 2029 heeft verschoven.

De heer Dessing (FVD):

Aanhakend op het laatste stuk van het betoog van de heer Van Gurp: de nadelen die er toch zijn bij het nieuwe pensioenstelsel worden dus wel ingevoerd, terwijl het voordeel van de keuzevrijheid die dat zou kunnen compenseren, wordt uitgesteld. Hoe beoordeelt de heer Van Gurp die ongelijkheid in de tijdlijn?

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Ik weet niet precies wat u bedoelt met "de nadelen van het pensioenstelsel worden wel ingevoerd". Een meerderheid van deze Kamer heeft in ieder geval geacht dat het nieuwe pensioenstelsel beter is dan het oude. Daar kunnen we politiek verschillend over denken, maar onze fracties horen wel bij die groep. De voordelen van het nieuwe pensioenstelsel zijn ingevoerd of werden stap voor stap ingevoerd de afgelopen jaren. De besluitvorming daarover heeft drie jaar geleden in deze Kamer plaatsgevonden. Dan zijn er nog een hele hoop annexen, die bijvoorbeeld gaan over vervroegd uittreden, een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen en een bedrag ineens. Deze gaan successievelijk ook ingevoerd worden. Sommige daarvan zijn al wetgeving en andere worden het.

De heer Dessing (FVD):

Maar hoe weegt de heer Van Gurp die timing? Bij de stemming over het hele pakket gaat het over alle maatregelen. Of een fractie voor of tegen de wet stemt, kan te maken hebben met het feit dat het hele pakket ineens wordt ingevoerd. Maar dat is nu dus niet het geval.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Nee, dat is niet waar. Kijk, er is een pensioenakkoord, een politiek akkoord, met de sociale partners. Ons commitment daaraan is politiek. Daarna komen er afzonderlijke wetten naar deze Kamer. De eerste versie van dit wetsvoorstel cum annexis — de voorzitter las het net voor, het zijn ongeveer drie regels — is al voor de behandeling van de Wet toekomst pensioenen hier in de Kamer geweest, twee jaar eerder. Die heeft het toen voor een groot gedeelte gehaald. We zijn aan de vijfde minister van Sociale Zaken toe in dit traject, maar op dit punt is toen nog tegen Wouter Koolmees gezegd: ga het voor dat bedrag ineens nog eens anders doen. Toen kwam de Wet toekomst pensioenen. Die gaat niet hierover, maar over het afschaffen van de doorsneesystematiek cum annexis. Die is toen aangenomen. De wet over verlofsparen en vervroegde uittreding is eerder aangenomen. We wachten nog op wetgeving omtrent het wegwerken van witte vlekken, als daar wetgeving voor moet komen. Wat betreft arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen wachten we ook nog. Het is dus een serie wetten. Die ene wet heeft weliswaar heel veel aandacht gevangen, maar ging over een onderdeel van het pensioenakkoord.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Goed. Ik hoop dat ik het zelf allemaal nog goed op een rijtje heb, maar volgens mij is dat zo.

Wij zijn dus heel blij met het voorstel dat nu voorligt. Voer dat bedrag ineens pas in als de transitie van het pensioenstelsel, waar de heer Dessing op wijst, over de hele linie is ingevoerd. Zijn we er dan? Nee, we zijn er dan nog niet helemaal; dat raakt een beetje aan het debatje dat ik met de heer Van Apeldoorn had. Dat heeft te maken met het volgende. Kun je door middel van keuzebegeleiding voldoende doen om er zeker van te zijn dat er geen ongelukken gebeuren? Ja, wij denken dat dat kan, zeker als die keuzebegeleiding in een op dit terrein rustige periode plaatsvindt, dus vanaf '29. Maar wij hebben daar ook nog wel vragen en zorgen over. Het heeft ermee te maken dat pensioenuitvoerders, waarbij die keuzebegeleiding in eerste instantie belegd is, maar over een gedeelte van de gegevens beschikken. Die beschikken over de gegevens omtrent pensioen. Waarschijnlijk ziet dat alleen op pensioen in het eigen pensioenfonds opgebouwd, want ze beschikken niet over de gegevens van de Belastingdienst. De Belastingdienst beschikt wel over de gegevens, maar pas over die van het jaar ervoor. Kortom, er zitten nog heel wat ingewikkeldheden in, ook aan de systeemkant.

De vraag is hoe je mensen goed kunt voorbereiden op de keuze, zodat ze op een eenvoudige en overzichtelijke manier de balans kunnen opmaken, zo van: koop ik nou een kat in de zak als ik hiermee begin, schiet ik in mijn eigen voet, of doe ik er wijs aan en heb ik dan een leuk extraatje om wat leuks mee te doen? Die keuzebegeleiding is dus erg complex, temeer omdat de meeste mensen in verschillende pensioenfondsen pensioen hebben opgebouwd. Onze vraag aan de minister is in ieder geval hoe hij daarnaar kijkt. Waar ligt precies de verantwoordelijkheid voor die keuzebegeleiding? Kan die zo veel mogelijk gebundeld worden? Dan nog een subvraagje: hoe kijkt hij naar keuzebegeleiding voor mensen die de Nederlandse taal niet machtig zijn? Heel veel dan dit soort dingen verloopt namelijk toch via schriftelijke en digitale wegen.

Een vervolgvraag. In de voorbereiding hebben we steeds gehoord over een keuzebegeleidingstool, een keuzehulptool die het Nibud zou ontwikkelen. Dat was toen nog een beetje van: die tool wordt of heel eenvoudig maar zo algemeen dat je er niet veel aan hebt, of heel gedetailleerd maar zo ingewikkeld dat je er niet veel aan hebt. Is er inmiddels een tussenweg gevonden? Het hoeft niet meteen, maar laten we de tweeënhalf jaar die we nog hebben alsjeblieft heel goed gebruiken om te voorkomen dat de risico's waar de heer Van Apeldoorn niet ten onrechte op wees — ik weeg ze uiteindelijk alleen anders af — zich zullen voordoen bij die keuzebegeleiding.

Tot slot van mijn betoog. In de positionpaper van de Pensioenfederatie worden ook tegen deze achtergrond twee vragen gesteld die ik graag tot de onze wil maken. De eerste vraag richt zich op de middellange termijn en is wel een interessante vraag voor ons in de systeemwereld. In de positionpaper wordt gezegd: als jullie dan toch aan het toeslagensysteem gaan sleutelen en dat op termijn vereenvoudigen of veranderen, neem dan meteen dit soort effecten en zo'n bedrag ineens in één keer mee. Ook wordt er gezegd: als het toeslagensysteem heel eenvoudig is of vervangen is door een ander en beter systeem, zorg er dan voor dat dit probleem er niet meer in zit. Ik zal mijn politieke voorkeur even achterwege laten, want ik spreek namens meer fracties. Is de minister bereid om te kijken naar deze twee punten?

Ik besluit met de tweede vraag. U hoort het: wij zijn geneigd om mee te gaan met het voorstel, want op een aantal inhoudelijke punten en in de planning zijn er aanzienlijke stappen vooruit gemaakt. We maken ons nog zorgen over de keuzebegeleiding. Zou de minister willen toezeggen dat er vrij snel na invoering van dit systeem — ik denk aan een periode van een jaar of twee — een wetsevaluatie plaatsvindt, die met name ziet op de keuzebegeleiding en op de effecten voor de mensen die financieel minder geletterd zijn en de mensen aan de onderkant van het financiële huis? Dan zijn we namelijk in staat om de vinger aan de pols te houden en weten we of de uitvoerders de verantwoordelijkheid die zij bij wet opgedragen krijgen, ook daadwerkelijk waar kunnen maken. Het lijkt me dus ook voor hen van groot belang.

Op het laatste punt zou ik graag een toezegging van de minister krijgen. Meestal zeg je dan: mocht hij die niet doen, dan heb ik een motie voorbereid. Dat zeg ik nu niet. Omdat ik verwacht dat hij die toezegging gaat doen, heb ik geen motie voorbereid. Mocht hij desalniettemin die toezegging niet doen, dan is een motie zo geschreven. Ik verwacht dat die dan breed aanvaard zal worden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Baumgarten. Hij spreekt namens JA21.