Verslag van de vergadering van 14 april 2026 (2025/2026 nr. 26)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 17.16 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording van al onze vragen. Het was een interessant debat waarin ik een minister heb gezien die probeert mee te bewegen met de verschillende opvattingen die er over deze wet zijn. Aan de ene kant horen we dat collega's denken dat we met deze wet tot wel 20.000 mensen strafbaar gaan stellen, terwijl de minister aan de andere kant voorzichtig aangeeft dat het er misschien 100 tot 300 zijn. Dit laat heel duidelijk zien hoe onduidelijk deze wet is. Dit laat ook heel duidelijk zien hoe dit minderheidskabinet aan het schipperen is tussen allerlei verschillende types fracties die een wet kunnen lezen op de manier waarop ze die willen lezen.
Ik vind het heel kwalijk dat we zo'n wet in deze Kamer moeten behandelen, want wij als Eerste Kamer moeten wetten toetsen op de wetskwaliteit: is de wet duidelijk en kunnen de samenleving en de uitvoering ermee uit de voeten? Ik heb van de minister gehoord wat zijn idee is achter deze wet, maar dat is dus echt iets heel anders dan wat in de wettekst staat. Als ik de minister goed heb begrepen, realiseert hij zich dat de strafbaarstelling, de Asielnoodmaatregelenwet, niet in lijn is met de Europese Terugkeerrichtlijn, maar gaat hij ervan uit dat een rechter wel zal begrijpen dat hij deze wet moet toetsen alsof deze wet in lijn is met die richtlijn en dat de strafbaarstelling daarom alleen van toepassing is op mensen die in de asielprocedure zitten en die aan het eind van de procedure dus te horen krijgen dat ze moeten vertrekken. Dat is de opvatting van de minister, maar dat is niet wat in deze wet staat. Dat maakt dat er heel veel onduidelijkheid is. Die onduidelijkheid is er niet alleen in deze Kamer, maar is er breed in de samenleving.
Die onduidelijkheid leidt tot zorgen, vooral bij de mensen die hier op de tribune of in andere zalen hier zitten en bij mensen die thuis naar dit debat zitten te kijken.
Eén zorg die ik heb, die ik hier in het debat onvoldoende heb kunnen benadrukken, gaat over mensen die mensen uitbuiten die nu illegaal of tenminste ongedocumenteerd of stateloos in Nederland zijn en die zo meteen illegaal worden gemaakt. Deze mensen verblijven in Nederland, werken hier in Nederland en zijn bang dat zij nu strafbaar zijn. De minister kan wel zeggen dat het helemaal niet zijn bedoeling is om deze mensen strafbaar te stellen, omdat ze niet in een aanvraagprocedure zitten, maar de mensen die zorgen dat zij een huis, een onderkomen of werk hebben, de ankers van deze mensen in de samenleving, kunnen vervolgens deze ongedocumenteerde mensen uitbuiten. Dat zal ook gebeuren, want deze ongedocumenteerden zijn al bang. Ze zijn terecht bang, want de wet is onvoldoende duidelijk. Ik heb nog niet van de minister gehoord hoe hij hiertegen aankijkt, behalve dan dat hij heel duidelijk wil gaan uitleggen aan de ongedocumenteerde mensen dat hij ze niet zal vervolgen.
Maar we horen ook van andere partijen hier in deze Kamer dat ze daar toch wel vraagtekens bij hebben en dat ze zelfs boa's af willen sturen op deze mensen. We hebben in het recente verleden al gezien dat er burgers zijn die denken dat ze burgerarresten mogen plegen. Deze minister heeft in zijn rol als Kamerlid in de Tweede Kamer hier ook aandacht voor gevraagd. Hier aandacht voor vragen of in deze Kamer benoemen dat dat niet mag, leidt er alleen nog niet toe dat mensen deze daden niet plegen. We hebben namelijk gezien in Oost-Groningen dat dat toch gebeurde. Ik vrees ook, wetende hoe politici in Den Haag zich gedragen, dat dit ook weer gaat leiden tot onrust en opruiing. Daar zit misschien nog wel mijn grootste zorg nu deze wetten zo onduidelijk geformuleerd zijn.
Voorzitter. Een andere zorg die ik nog heb is de volgende. Zoals ik net ook al zei, is de wet onduidelijk geformuleerd en is deze niet in lijn met de bestaande EU-richtlijn, terwijl in het coalitieakkoord is opgenomen dat deze coalitie EU-richtlijnen een-op-een zal doorvertalen in wetgeving. Mijn vraag aan de minister is daarom waarom hij niet een nieuwe novelle heeft aangeboden waarin hij de strafbaarstelling in lijn heeft gebracht met de EU-richtlijn.
Dan nog een vraag over de prejudiciële — een heel moeilijk woord — vraag van België die openstaat. Collega's Karimi en Huizinga refereerden er ook al aan. Kan de minister toezeggen dat als uit de uitspraak blijkt dat het niet kan, omdat het in België niet kan en het daardoor ook in Nederland niet kan, hij wacht met überhaupt de inwerkingtreding totdat die uitspraak er is, zoals collega Karimi verzoekt, en hij dan vervolgens ook de wetgeving aanpast? En kan de minister toezeggen dat als de motie van collega Karimi niet wordt aangenomen, hij de wet zal aanpassen wanneer uit de uitspraak van het Europese Hof blijkt dat dit niet mag?
Voorzitter. Ik heb in mijn eerste termijn duidelijk aandacht gevraagd voor de vluchtelingen uit de lhbtiq-community. We hebben het hier in het debat gehad over een discriminatoir element dat in de uitvoering van de wetgeving zit. Er ontstond in het debatje dat ik had met de minister wat onduidelijkheid over wat ik nou bedoelde met discriminatie. Discriminatie vindt plaats in de uitvoering van deze wetten. Ik durf niet heel duidelijk te stellen dat de wet zelf discrimineert, maar het kan wel discriminatoir uitpakken doordat de definitie van een kerngezin niet in lijn is of niet in lijn wordt gebracht met wat we in Nederland als een gezin zien. Je zou een gezin kunnen beperken tot gehuwden, maar in de Nederlandse samenleving is het heel normaal om een gezin te zijn zonder gehuwd te zijn. Met die bril op wordt er wel gekeken naar de mensen die hierheen vluchten, terwijl een gezinsvorm er in andere landen anders uitziet. Het kan ook zijn dat zo'n gezin überhaupt niet gevormd kan worden, zeker als we kijken naar de mensen uit de lhbtiq-community. In die zin heeft dus de huidige definitie van het kerngezin, wat ook de definitie in de uitvoering zal zijn, een discriminatoir effect. Kan de minister dat bevestigen? Ik zou toch graag willen horen van hem wat hij gaat doen als op een later moment blijkt dat bijvoorbeeld het College voor de Rechten van de Mens aangeeft dat het discriminerend uitpakt.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik zou juist meer groepen willen uitsluiten bij bepaalde gezinsvormen. Ik las in de schriftelijke stukken namelijk dat er ook sprake is van in het buitenland erkende huwelijken. Dan kan het zomaar zijn dat er bijvoorbeeld bij shariarechtbanken huwelijken tot stand zijn gekomen die eigenlijk totaal haaks staan op onze westerse waarden en op onze Nederlandse opvattingen van wat een huwelijksverbintenis of een verbintenis van twee personen zou moeten zijn. Is mevrouw Perin-Gopie van Volt het met mij eens dat zulk soort huwelijken die bij shariarechtbanken en andere vage buitenlandse instellingen zijn gesloten, hiervan uitgezonderd zouden moeten worden?
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Wat ik juist duidelijk probeer te maken, is dat de gezinsvormen zoals wij die in Nederland kennen niet overal in het buitenland geaccepteerd worden. Als mensen moeten bewijzen dat ze een gezin zijn, kijken wij met een bepaalde bril naar hun gezinssituatie in het buitenland, die zou moeten lijken op wat wij in Nederland hebben. De lhbtiq-community is daar een heel goed voorbeeld van. We weten dat in heel veel landen mensen van gelijk geslacht niet met elkaar mogen trouwen, niet met elkaar mogen samenleven en al helemaal niet samen liefde mogen tonen in het openbaar, terwijl dit in Nederland wel kan. Al moet ik ook zeggen dat hier die vrijheden steeds meer beperkt worden. Maar in Nederland kan het volgens de wet wel. Als we met die bril kijken, en mensen dus zien als een gezin zoals we dat in Nederland ook kunnen hebben, en dan zeggen "toon maar aan dat je een gezinsvorm hebt met die partner", dan is dat natuurlijk onmogelijk, want zoiets kan in veel landen helemaal niet. Soms staat daar namelijk zelfs de doodstraf op.
De heer Van Hattem (PVV):
Eigenlijk ben je nu voor uitzonderingssituaties aan het bekijken hoe je van de uitzondering de regel kunt gaan maken. Is mevrouw Perin-Gopie het met mij eens dat we het niet nog complexer moeten maken door van uitzonderingen de regel te maken?
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Nou, dan kom ik op de werkinstructies die nu bij de IND gebruikt worden voor het omgaan met vluchtelingen uit de lhbtiq-community. We hebben het in het debat kort gehad over de vraag of die werkinstructie er al dan niet zou zijn, maar de IND heeft een werkinstructie voor het omgaan met vluchtelingen uit de lhbtiq-community. Ondanks dat die werkinstructie er is, worden mensen toch nog steeds teruggestuurd naar hun land van herkomst. Maar als die werkinstructie gevolgd zou zijn, zou ik verwachten dat die mensen in Nederland hadden mogen blijven. Daarom wil ik de minister vragen of hij kan toezeggen dat identiteitsgroei onderdeel wordt van die werkinstructie, zodat mensen dat kunnen laten zien. In Nederland heb je wel de vrijheid om te zijn wie je bent, maar in een land van herkomst vaak niet. Het blijkt dat de IND toch nog vraagt om te bewijzen of er in het land van herkomst sprake was van een relatie. Dat is heel ingewikkeld, bijvoorbeeld in Oeganda of Egypte, aangezien daar de doodstraf staat op het hebben van een relatie met iemand van hetzelfde geslacht. Mensen kunnen niet laten zien dat ze dat daar hadden, omdat dat daar niet getoond kon worden. Ik wil de minister dus vragen of hij in de werkinstructie kan opnemen dat identiteitsgroei in Nederland onderdeel is van de beoordeling.
Voorzitter. Dan kom ik tot het eind van mijn tweede termijn. Ik wil nogmaals benadrukken dat wat Volt betreft geen mens illegaal is en dat we echt moeten voorkomen dat we mensen strafbaar gaan stellen. De kwaliteit van deze wetgeving is onvoldoende. Ik verwacht dat de juristen in deze Kamer dat ook zien.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Dittrich van D66.