1.Vaststellen agenda
2.Commissieagenda onderdeel I&W
3.31936, BV en BW
Brief van de minister van I&W ter aanbieding van voorhang ontwerpbesluit tot wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) Schiphol; Luchtvaartbeleid
Beslispunt
Wenst de commissie haar besluit van 3 maart jl. te handhaven of te heroverwegen?
Toelichting
Bij brief van 19 januari 2026 heeft de minister van I&W het ontwerpbesluit tot wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) Schiphol bij de Kamers voorgehangen. Het gaat om een algehele wijziging van het LVB. De voorhangtermijn bedraagt op grond van de Wet luchtvaart en de Algemene wet bestuursrecht zes weken. Het betreft een 'lichte' voorhang: de Kamer kan de gebruikelijke parlementaire controlemiddelen inzetten, maar niet afdwingen dat de materie bij wet wordt geregeld (wat bij een 'zware' voorhang het geval zou zijn).
Bij brief van 28 januari jl. heeft de commissie de voorhangtermijn van het ontwerpbesluit gestuit. De minister is verzocht geen onomkeerbare stappen te zetten totdat het overleg met deze Kamer is afgerond. In haar vergadering van 3 maart jl. heeft de commissie besloten de behandeling van het ontwerpbesluit aan te houden totdat het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) is ontvangen. De griffie werd verzocht de commissie te informeren als bekend is wanneer bedoeld advies wordt uitgebracht en na te vragen welke mogelijke gevolgen het aanhouden van de behandeling van het ontwerpbesluit heeft voor de exploitatie van Schiphol. Inmiddels is hierover het volgende bekend:
-
-het advies van de Commissie mer wordt niet eerder dan eind april verwacht (NB. dit is in het meireces);
-
-het ministerie streeft naar inwerkingtreding van het gewijzigde LVB per 1 november 2026, zijnde de start van het nieuwe gebruiksjaar;
-
-volgens het ministerie komt deze planning onder druk te staan indien pas na eind april inbreng wordt geleverd;
-
-dit mede omdat na afronding van de voorhangprocedure ook nog advies van de Raad van State moet worden gevraagd.
Voor wat betreft de exploitatie van Schiphol meldt het ministerie:
-
-momenteel is met betrekking tot Schiphol sprake van een gedoogsituatie;
-
-het uitstellen van de behandeling van het ontwerpbesluit leidt tot verlenging van deze gedoogsituatie;
-
-in beginsel zijn er daarom volgens het ministerie geen gevolgen voor de exploitatie, maar garanties zijn niet te geven;
-
-dit mede gelet op eventuele handhavingsverzoeken en het lopende hoger beroep in de zaak van Recht op Bescherming tegen Vliegtuighinder (RBV).
Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak
In mei 2025 heeft de regering al een gedeeltelijke wijziging van het LVB doorgevoerd. Deze wijziging betrof de invoering van een maximum aantal vliegtuigbewegingen voor het etmaal en wijziging van het maximum aantal vliegtuigbewegingen voor de nacht. Over deze wijziging - en over de natuurvergunning voor Schiphol - heeft de commissie meerdere malen schriftelijk overleg gevoerd met de regering. Op 11 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het besluit tot wijziging van het LVB vernietigd. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister het besluit niet zorgvuldig heeft genomen en niet goed heeft gemotiveerd. Zie daarover:
-
-uitspraak: Uitspraak 202502813/1/R1 - Raad van State
In het nieuwsbericht en de uitspraak wordt ook ingegaan op de gevolgen van de vernietiging.
Bespreking stand van zaken
4.35386, N
Verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van I&W over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling; Initiatiefvoorstel-Klaver en Ouwehand Wet veilige jaarwisseling
Beslispunt
Welke fracties wensen heden inbreng voor nader schriftelijk overleg te leveren?
Toelichting
Op 1 juli 2025 heeft de Eerste Kamer het initiatiefvoorstel-Klaver en Ouwehand Wet veilige jaarwisseling (35.386) aanvaard. De regering heeft het wetsvoorstel op 16 december 2025 bekrachtigd, waarna de Wet veilige jaarwisseling op 19 januari 2026 in het Staatsblad is gepubliceerd. In het thans geagendeerde verslag van een nader schriftelijk overleg van 20 februari 2026 (35386, N) spreekt de staatssecretaris de wens uit om de Wet veilige jaarwisseling samen met het Besluit veilige jaarwisseling per 1 augustus 2026 in werking te laten treden.
Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling
Bij brief van 16 januari 2026 (35386, K) heeft de staatssecretaris van I&W bij de Kamer het ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (kortweg: Besluit veilige jaarwisseling) voorgehangen. Ingevolge artikel 21.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer bedraagt de voorhangtermijn vier weken. In de Wet veilige jaarwisseling is bepaald dat het bezit en het gebruik van vuurwerk van de categorieën F2 en F3 verboden is voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis. Als gevolg van een amendement-Bikker c.s. is echter in de wet opgenomen dat de burgemeester ontheffing van dit verbod kan verlenen. Het Besluit veilige jaarwisseling, een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), werkt deze ontheffingsmogelijkheid nader uit.
Bij brief van 28 januari jl. heeft de commissie de voorhangtermijn van het ontwerpbesluit gestuit. De staatssecretaris is verzocht geen onomkeerbare stappen te zetten totdat het overleg met deze Kamer is afgerond. Bij brief van 17 februari 2026 heeft de commissie vragen en opmerkingen aan de staatssecretaris voorgelegd. Op 20 februari 2026 zijn deze beantwoord. In de antwoordbrief verzoekt de staatssecretaris de voorhangprocedure zodanig in te richten dat het het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling op korte termijn de volgende fase van het wetgevingsproces kan doorlopen en tijdig ter advisering aan de Raad van State kan worden aangeboden. Vervolgens dient na verwerking van het advies het besluit formeel te worden vastgesteld door de regering. De staatssecretaris spreekt acht het met het oog op de inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2026 wenselijk om in maart tot afronding van de voorhangprocedure van dit ontwerpbesluit te komen. Dit laat voldoende ruimte voor een tweede schriftelijke ronde, waarvoor vandaag inbreng kan worden geleverd.
Inbreng voor nader schriftelijk overleg
5.COM(2026)39
Mededeling Europese Commissie herziening Kaderrichtlijn Water (KRW), Grondwaterrichtlijn en Richtlijn prioritaire stoffen
Beslispunt
Welke fracties wensen heden inbreng voor schriftelijk overleg te leveren?
Toelichting
De commissie besloot op 3 maart jl op verzoek van lid Van Langen-Visbeek (BBB) om het nieuwe Europese voorstel COM(2026)39 - opgenomen in het overzicht nieuw gepresenteerde Europese voorstellen (6 februari – 20 februari 2026) - de volgende vergadering te agenderen voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg. De eerstvolgende vergadering is die van vandaag.
Inbreng voor schriftelijk overleg
6.Commissieagenda onderdeel VRO
7.34453 / 36725 XXII, BD
Brief van de minister van VRO over uitvoering van de motie-Kemperman en over belangenverstrengeling bij kwaliteitsborging bouwen; Wet kwaliteitsborging voor het bouwen
Beslispunt
Welke fracties wensen heden inbreng voor schriftelijk overleg te leveren?
Toelichting
Op 10 december 2025 heeft de Kamer de gewijzigde motie-Kemperman (FVD) c.s. over het niet verder uitbreiden van de werking van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (36.725 XXII, D) aangenomen. Naast het niet verder uitbreiden van de werking van de Wkb vraagt de motie de regering een evaluatie van deze wet uiterlijk in maart 2026 aan de Tweede en Eerste Kamer te sturen. Het lid Kemperman heeft daarnaast individuele schriftelijke vragen gesteld over mogelijke belangenverstrengeling bij de Wkb. De minister heeft het kennelijk dienstig geoordeeld om in één brief op zowel de motie als de individuele vragen te reageren. Ten aanzien van de motie merkt de minister onder meer op: "Gezien de doorlooptijd van deze processen is het niet mogelijk u de evaluatie eerder dan mei te doen toekomen".
De commissie besloot in haar vergadering van 10 februari jl. om op 17 maart 2026 gelegenheid te geven voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg. De commissie besloot verder de motie-Kemperman c.s. als niet uitgevoerd te blijven beschouwen.
Inbreng voor schriftelijk overleg
8.33118/34986, HA
Brief van de minister van VRO over voortgang uitvoering Omgevingswet vierde kwartaal 2025; Omgevingsrecht
Beslispunten
-
-Wenst de commissie naar aanleiding van de brief 2 maart 2026 met de minister van VRO in overleg te treden?
-
-Kan de commissie instemmen met de ambtelijke adviezen ten aanzien van de toezeggingen T03557, T03746, T02855, T03000 en T03130?
-
-Kan de commissie instemmen met de ambtelijke adviezen ten aanzien van de status van de motie-Kluit c.s. en de motie-Nooren c.s.?
Toelichting
Op 2 maart 2026 heeft de Kamer de voortgangsbrief uitvoering Omgevingswet vierde kwartaal ontvangen. Hierin gaat de minister in op:
-
-het functioneren van de planketen, met extra aandacht voor:
-
-het kunnen en leren werken in de planketen via het hoofdspoor (STOP/TPOD);
-
-het uitfaseren van de Tijdelijke alternatieve maatregelen (hierna: TAM) per 1 januari 2026;
-
-het (verder) benutten van de mogelijkheden die de (kern)instrumenten hebben onder de Omgevingswet;
-
-
-de voorbereiding op de gefaseerde implementatie van STOP 1.4.
-
-de gebruiksvriendelijkheid van het Omgevingsloket;
-
-ontwikkelingen in het DSO;
-
-financiën;
-
-motie Nooren c.s.;
-
-wetgeving;
-
-monitoring en evaluatie.
In haar brief schrijft de minister dat de Kamer voortaan in lagere lagere frequentie over de voortgang van de verdere uitvoering van de Omgevingswet geïnformeerd zal worden. Voorafgaand aan de start van ieder kalenderjaar ontvangt de Kamer een brief waarin vooral vooruitgekeken wordt naar belangrijke ontwikkelingen voor het komende jaar. Dit houdt in dat de Kamer de brief met de vooruitblik op 2027 in het vierde kwartaal van 2026 ontvangt. Daarnaast blijft de Kamer halverwege ieder jaar de uitkomsten van de jaarlijkse Monitor Werking Omgevingswet ontvangen, waarin juist wordt gereflecteerd op het voorgaande jaar. Aanvullend hierop blijft de Kamer ook de bevindingen van de onafhankelijke Evaluatiecommissie Omgevingswet ontvangen (zie het volgende agendapunt).
De commissie is ook nog in afwachting van de invoeringstoets Omgevingswet. Eerder meldde (de voorganger van) de minister dat de resultaten daarvan hopelijk in het eerste kwartaal van 2026 konden worden gepubliceerd. Nu schrijft de minister: "De uitvoering van de invoeringstoets blijkt echter complexer dan aanvankelijk voorzien. Dit maakt dat meer tijd nodig is voor een zorgvuldige afronding. De resultaten zullen daarom naar verwachting pas rond de zomer gereed zijn en met uw Kamer worden gedeeld".
Toezeggingen en moties
In de voortgangsbrief komen verschillende toezeggingen en moties aan de orde. Het gaat om:
TAM toezeggingen
De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Moonen (D66), toe dat er bereidheid is om de TAM-IMRO eventueel met een of twee jaar te verlengen in het geval gemeenten hierom vragen. (Status: deels voldaan)
Ambtelijk advies: De minister schrijft dat, gezien de TAM per 1 januari 2026 definitief uitgefaseerd zijn, de toezeggingen aangaande de TAM als voldaan kunnen worden aangemerkt. Het ambtelijk advies is om toezegging T03557, waarin de mogelijkheid staat om de TAM te verlengen, daarom als voldaan aan te merken.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Van Langen-Visbeek (BBB), Moonen (D66) en Rietkerk (CDA), toe in de voortgangsbrieven in te gaan op het gebruik van de tijdelijk alternatieve maatregelen (TAM’s) en in nauwe samenspraak met bevoegd gezagen te bezien wat het juiste moment is om deze uit te faseren. (Status: deels voldaan)
Ambtelijk advies: De minister schrijft dat, gezien de TAM per 1 januari 2026 definitief uitgefaseerd zijn, de toezeggingen aangaande de TAM als voldaan kunnen worden aangemerkt. Het ambtelijk advies is om toezegging T03746, waarin de mogelijkheid staat om de TAM te verlengen, daarom als voldaan aan te merken.
Toezeggingen invoeringsondersteuning
De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Dessing (FVD), Nooren (PvdA), Baay-Timmerman (50PLUS), Klip-Martin (VVD) en Verkerk (ChristenUnie), toe de invoeringsondersteuning nog vijf jaar te laten doorlopen vanaf 2021. In dat kader zal minimaal één jaar voldoende ondersteuning met regioteams plaatsvinden, op kosten van de Rijksoverheid. Nadat vijf jaar zijn verstreken zal bezien worden met decentrale overheden welke ondersteuning nog nodig is. (Status: openstaand)
Ambtelijk advies: De minister schrijft dat de uitvoeringsondersteuning aan gemeenten, conform de toezegging, nog in ieder geval 3 jaar doorloopt. Het ambtelijk advies is daarom om toezegging T02855 als openstaand te blijven beschouwen en de deadline te verplaatsen naar 1 januari 2029.
Toezeggingen financiële aspecten DSO en motie-Kluit c.s.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks), toe dat een drietal aspecten rondom de invoering van de Omgevingswet geregeld moeten zijn, te weten:
-
1.dat het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) werkt;
-
2.dat de financiële afspraken tussen de decentrale overheden en het Rijk ten aanzien van de uitvoering van het stelsel en ten aanzien van het beheer en onderhoud van het DSO zijn gemaakt, en dat deze ook zijn geborgd voor zover het over de Rijksbijdrage gaat in de begrotingen van het Rijk;
-
3.dat verschillende uitvoeringsorganisaties — zoals de rechtspraak en de VTH-kolom — hebben aangegeven dat zij gereed zijn voor de uitvoering en dat daartoe ook een uitvoeringstoets is gedaan. (Status: deels voldaan)
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rietkerk (CDA), toe dat de brede financiële consequenties van het DSO voor provincies, gemeenten en waterschappen in december in beeld komen, of in ieder geval voor de voorhang van het inwerkingtredings-KB inzake de Omgevingswet. (Status: deels voldaan)
In deze motie wordt de regering verzocht om voor de zomer een integraal financieel beeld te maken voor gemeenten, provincies en omgevingsdiensten, en de Kamer voor de zomer te informeren over hoe deze kosten komende jaren gedekt worden
De regering wordt ook verzocht om, voor zover het de meerjarige rijksbijdrage aan deze kosten voor de serviceketen, beheer en doorontwikkeling betreft, de middelen op de najaarsbegroting 2024 e.v. vastgelegd te hebben, zoals eerder reeds toegezegd in toezegging T03130. (Status: deels uitgevoerd)
De minister schrijft ten aanzien van T03130 en motie-Kluit c.s.: 'In november is de begroting voor beheer en doorontwikkeling van de DSO-LV voor het jaar 2026 door de interbestuurlijke partners goedgekeurd, binnen de daarvoor beschikbare interbestuurlijke middelen. Dit betekent dat de beheerpartijen voor de start van het boekjaar een definitieve opdrachtverstrekking hebben ontvangen. Onderdeel van deze begroting is ook een meerjarenbeheerperspectief tot en met 2030 waarin onder andere rekening wordt gehouden met de beheerlast van nog te ontwikkelen functionaliteiten, life-cycle management en eventuele op te vangen tegenvallers. Dit perspectief laat zien dat de kosten voor beheer en doorontwikkeling van de DSO-LV naar verwachting in balans zijn met de beschikbare middelen, bij ongewijzigde omstandigheden. Daarbij is de verwachting dat dit meerjarenbeheerperspectief de beheerpartijen voldoende zekerheid geeft om het beheer de komende jaren gedegen en stabiel uit te voeren. Met dit meerjarenperspectief is ook invulling gegeven aan de laatste openstaande punten van de motie Kluit c.s.'
Ambtelijk advies:
-
-T03000 als voldaan te beschouwen naar aanleiding van de toelichting van in de brief van de minister.
-
-Motie-Kluit c.s. als uitgevoerd te beschouwen.
In deze motie wordt de regering verzocht in het Invoeringsbesluit Omgevingswet een regeling op te nemen die ervoor zorgt dat er een plicht ontstaat voor gemeenten, provincies en waterschappen om het Participatiebeleid op te stellen waarin vastgelegd wordt hoe participatie wordt vormgegeven en welke eisen daarbij gelden en dit Participatiebeleid vast te stellen door respectieve gemeenteraad, provinciale staten en het algemene bestuur van het waterschap.
Tevens wordt de regering verzocht te bevorderen dat de medeoverheden hier zo snel mogelijk mee beginnen, liefst voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. (Status: deels uitgevoerd)
De minister schrijft hierover: 'Uit openbare data blijkt dat op dit moment ruim 90% van de gemeenten beschikt over een vorm van participatiebeleid, zoals visiedocumenten, nota’s of verordeningen. Een klein deel maakt nog gebruik van een (verouderde) inspraakverordening en een deel is bezig met het op- en vaststellen van dergelijk participatiebeleid. Deze ontwikkeling toont aan dat participatie steeds meer en structureel is, dan wel wordt verankerd door gemeenten, waarmee ik de motie Nooren c.s. als uitgevoerd beschouw'.
Ambtelijk advies: Op 10 februari 2026 heeft de commissie besloten de motie als deels uitgevoerd te blijven beschouwen en de deadline te verplaatsen naar 1 juli 2026. De commissie wenste namelijk rond de zomer opnieuw naar de uitvoeringsstatus te kijken. De informatie die de minister nu verstrekt, is niet wezenlijk anders dan de informatie waarover de commissie in februari beschikte. Het advies is daarom aan het eerdere besluit vast te houden.
Bespreking
9.33118 / 34986, HB
Brief van de minister van VRO ter aanbieding van het tweede reflectierapport van de Evaluatiecommissie Omgevingswet ‘Werk aan de winkel’; Omgevingsrecht
Beslispunt
-
-Wenst de commissie naar aanleiding van de brief van 10 maart 2026 met de minister van VRO in overleg te treden?
-
-Wenst de commissie gebruik te maken van het aanbod van de Evaluatiecommissie Omgevingswet voor een technische briefing over het reflectierapport 2025 'Werk aan de winkel'?
Toelichting
Op 10 maart 2026 heeft de Kamer van de minister van VRO een brief met het tweede reflectierapport van de Evaluatiecommissie Omgevingstwet ontvangen. Het rapport is getiteld 'Werk aan de winkel'. De Evaluatiecommissie schrijft deze reflectierapporten jaarlijks en komt in 2029 met een eindevaluatie. In dit rapport reflecteert de Evaluatiecommissie op het jaar 2025. In dat jaar liet de Evaluatiecommissie twee deelevaluatieonderzoeken uitvoeren naar de instrumenten omgevingsvergunning en algemene rijksregel. De inhoudelijke reactie van de minister op het rapport ontvangt de Kamer voor het zomerreces van dit jaar.
De Evaluatiecommissie Omgevingswet heeft de commissie het aanbod gedaan om, net als bij het reflectierapport 2024, in een technische briefing een toelichting te komen geven op het rapport. Hierbij stelt de Evaluatiecommissie voor ook de commissies EZ/KGG en LNV uit te nodigen. De vorige bijeenkomst vond plaats op 9 september 2025. Zie Dinsdag 9 september 2025, commissie Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO).
Bespreking
10.29453, H
Brief van de minister van VRO ter aanbieding van de Staat van de Corporatiesector 2026 en de beleidsreactie; Woningcorporaties
Beslispunt:
Welke fracties wensen heden inbreng voor schriftelijk overleg te leveren?
Toelichting
Op 29 januari 2026 heeft de minister van VRO bij brief de Staat van de Corporatiesector 2026 (29453, H) aan de Kamer toegestuurd. De brief was opgenomen op de Lijst ingekomen brieven die bij iedere commissieagenda wordt gevoegd. Op 10 februari 2026 heeft de commissie besloten de brief voor bespreking te agenderen in de vergadering van 3 maart. In die vergadering is besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg.
Inbreng voor schriftelijk overleg
11.Stand van de Uitvoering Huurcommissie 2025
Beslispunt
Geeft de geagendeerde stand van de uitvoering aanleiding tot overleg met de minister van VRO?
Toelichting
Bij de vergadering van 5 november 2024 was de notitie 'uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen' ter kennisneming bijgevoegd. Deze notitie is opgesteld door een werkgroep van de Kamer. De notitie bevat vijf voorstellen voor acties in de Kamercommissies. Voorstel 4 luidt:
De jaarlijkse standen van de uitvoering van de uitvoeringsorganisaties (die ten grondslag liggen aan het generieke rapport Staat van de Uitvoering) ter bespreking agenderen in de verantwoordelijke commissie(s).
In maart 2026 is de stand van de uitvoering Huurcommissie 2025 gepubliceerd. Mogelijk geeft deze aanleiding tot (schriftelijk) overleg met de verantwoordelijke minister.
Bespreking
12.Jaarverslag met stand van de uitvoering van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB)
Beslispunt
Geeft de geagendeerde stand van de uitvoering aanleiding tot overleg met de minister van VRO?
Toelichting
Bij brief van 11 maart 2026 heeft de voorzitter van het bestuur van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) de Kamer het jaarverslag van deze organisatie aangeboden. In paragraaf 7.10 wordt de jaarlijkse Stand van de uitvoering van de TloKB weergegeven. In de notitie 'uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen' is de volgende aanbeveling gedaan:
De jaarlijkse standen van de uitvoering van de uitvoeringsorganisaties (die ten grondslag liggen aan het generieke rapport Staat van de Uitvoering) ter bespreking agenderen in de verantwoordelijke commissie(s).
Conform deze aanbeveling is de Stand van de uitvoering van de TloKB heden geagendeerd.
Bespreking
13.Mededelingen en informatie
RED III
Het plenaire debat over het wetsvoorstel Implementatie onderdelen richtlijn hernieuwbare energie (RED III) die betrekking hebben op de vervoerssector (36.766) is gepland op 24 maart 2026. Dit is het eerste moment dat de nieuwe staatssecretaris beschikbaar is. U kunt uw gewenste spreektijden tot woensdag 18 maart, 12:00 uur, doorgeven op de gebruikelijke wijze, via EK-PrimairProces (primairproces@eerstekamer.nl).
14.Rondvraag
15.Openstaande correspondentie
Ter herinnering: overzicht openstaande correspondentie
Overzicht openstaande correspondentie |
|||
|---|---|---|---|
Verzonden |
Onderwerp |
Reactietermijn |
Toelichting |
Verslagen |
|||
21 januari 2026 |
Verslag - Overzetten bepalingen Vangnetregeling Omgevingswet en enige andere wijzigingen (36.824) |
18 februari 2026 |
|
Brieven |
|||
18 november 2025 |
Voorhang instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen |
16 december 2025 |
Aan de minister van VRO |
16 december 2025 |
Wet veilige jaarwisseling |
13 januari 2026 |
Aan de staatssecretaris van I&W |
3 februari 2026 |
Ontwikkelingen op de huurmarkt |
3 maart 2026 |
Aan de minister van VRO |
3 februari 2026 |
Voortgang wetsvoorstel regie volkshuisvesting en lagere regelgeving |
3 maart 2026 |
Aan de minister van VRO |
3 februari 2026 |
Verkenning publieke mobiliteit |
3 maart 2026 |
Aan de staatssecretaris van I&W |
3 februari 2026 |
Stand van de uitvoering I&W |
3 maart 2026 |
Aan de minister van I&W |
3 februari 2026 |
Monitoring luchtkwaliteit 2025 |
3 maart 2026 |
Aan de staatssecretaris van I&W |
17 februari 2026 |
Voortgang bouw seniorenwoningen |
17 maart 2026 |
Aan de minister van VRO |
10 maart 2026 |
Straling en geo-engineering |
7 april 2026 |
Aan de staatssecretaris van I&W |
Versie: 10 maart 2026 |
|||
